De renner die tot na zijn carrière moest wachten om wereldkampioen te worden

Anno 2006 zwaaide Erik Dekker af als beroepsrenner. Nooit geraakte de inmiddels 48-jarige Drenthenaar verder dan de 4e plaats op een wereldkampioenschap, maar afgelopen weekend in Mol lukte het dan toch. Bij de Masters 45-49 jaar kroonde hij zich tot ’s werelds beste door vanuit een geslagen positie terug te komen én die inspanning te verzilveren.

Erik, hoe verliep de wedstrijd?

Erik Dekker: “Ik wist dat de conditie goed zat en het parcours was mij ook gunstig gezind. Professioneel heb ik nooit aan veldrijden gedaan, dus op de technische stukken boet ik in. Zaterdag was het een typisch zandparcours, qua techniciteit niet heel lastig, maar wel loodzwaar en dat speelt altijd in mijn voordeel. Desondanks zat de loting niet echt mee. Ik lootte het startnummer 72, wat mijn verwachtingen een beetje temperde. Dat was echt een probleem, zeker als je weet dat Arne Daelmans – waar ik nog nooit eerder tegen gereden had, maar waar ik wel van begreep dat hij nagenoeg onklopbaar was – 1van de 1e plaatsen geloot had.”

“Ik kon niet anders dan toch proberen en in de start liep het allesbehalve vlot. Opschuiven was daar absoluut geen optie. Eens we in de zandzones kwamen, ging het beter en was het ook mogelijk om elkaar makkelijk te passeren, waarna ik na 1 ronde al op de 7e plaats lag. Uiteraard niet slecht, als je weet dat ik van zo ver kwam. Dat moment besefte ik wel dat er iets kon gebeuren, aangezien ik een hele ronde veel harder gereden had dan iedereen vooraan. Mijn eigen tempo rijden leek me toen de beste optie en 3 ronden later kon ik de aansluiting maken. Daelmans had waarschijnlijk wel gehoopt dat de wedstrijd anders ging verlopen en dat begon mentaal wel te spelen. Ik heb toen in de laatste ronde de kop genomen om in het zand mijn slag te slaan, wat dan ook gelukt is.”

Met welke ambitie ben je aan de start gekomen?

Erik Dekker: “Ik vind het nu, na mijn profcarrière, gewoon heel fijn om dingen te moeten leren en ergens moeite voor te moeten doen. Als iemand als Arne Daelmans dan aan de start komt als topfavoriet heb ik er plezier in om een manier te zoeken waarop ik die partij kan bieden. Dat bekijk ik eigenlijk als een soort spelletje. In dit geval dan wel een spel dat me de wereldtitel oplevert, al ben ik zelf eerder trots dat ik een renner die naar mijn gevoel zelfs beter is dan mezelf, heb kunnen verslaan.”

Hoe kan jij je nog opladen om op deze leeftijd zo’n inspanningen te leveren, na zo’n succesvolle carrière op de weg?

Erik Dekker: “Echt toeleven naar dat WK heb ik eigenlijk maar de laatste week gedaan. Bij het Nederlands kampioenschap op 13 januari zal dat wel een stuk intenser zijn, aangezien dat voor mezelf een langer traject is. Meestal geeft die bepaalde wedstrijd me de motivatie. Er mee bezig zijn om die dag zelf goed te zijn. Telkens wanneer het dan voorbij is, geeft dat wel een weerslag, zeker mentaal, omdat ik er dan zo mee bezig ben en het zelf belangrijk en bovenal leuk vind.”

Wat zijn nu je volgende plannen?

Erik Dekker: “Dit seizoen is mijn topdoel het Nederlands kampioenschap op 13 januari, waar ik tegen Maarten Nijland, die 2e werd in zijn categorie op het WK, moet koersen. Die klopte me steeds nipt op de voorbije NK’s, dus daar zie ik weer een uitdaging in. Volgend weekend neem ik nog deel aan het EK strandrace, waar ik mijn beste beentje nog wil voorzetten. Maar hoofdzakelijk concentreer ik me nu op het NK. Op iets langere termijn is de Cape Epic, die ik volgend jaar in maart ga rijden met Maikel Govaarts, een absoluut hoogtepunt. Momenteel rijd en train ik van evenement naar evenement, dat vind ik zelf nog steeds het fijnste.”

1 van die evenementen dit jaar was de Crocodile Trophy, met groot succes. Het zwaarste wat je al deed na je carrière?

Erik Dekker: “Euhm, het zwaarste weet ik niet. Het is vooral een prachtige wedstrijd. Uiteraard is het zwaar en uiteraard krijg je er een weerslag van. Maar dat vergeet je al snel als je die prachtige natuur ziet en dan nog eens een rit van de eliterenners kan winnen. Ik had deze zaterdag al niet verwacht dat ik ging winnen, maar in Australië al helemaal niet. Als je dan merkt dat er kansen zijn om die dagzege te pakken, dan maakt het niet uit hoe diep je moet gaan en verleg je al je grenzen, hoe ver dat ook moet zijn.”

Is deze wereldtitel de revanche voor de 4e plaats op het WK van 2001 in Lissabon?

Erik Dekker: “Nee, dat staat er helemaal los van. Dat heeft voor mij niets met elkaar te maken. Ik ben zelfs blij dat de trui een andere is dan de reguliere alom bekende regenboogtrui. Ik zou het me niet kunnen voorstellen dat ik dezelfde trui zou moeten aantrekken als Wout van Aert of Peter Sagan.
Die is zo heilig, dat ze hem van mij voor de ‘officiële’ categorieën mogen houden, waartoe ik dan vooral jonge, ambitieuze professionals reken. Ik had hem destijds wel graag gewonnen, maar dat is nu niet zo. Ik ben niet zozeer trots op het behalen van deze trui bij de Masters, des te meer op het kunnen bereiken van iets wat voor mezelf heel moeilijk was.”

Fotomateriaal: Erik Dekker.

In this article