
Of je ze nu kasseien, pavé’s of kinderkopjes noemt, de stenen die onze voorjaarsklassiekers hun identiteit geven, blijven even mooi als genadeloos. Geen wonder dat ze verdeeldheid zaaien: je zoekt ze op of blijft er van weg. Jesse van Dalen behoort tot die laatste groep, maar wil de liefde voor de kassei vinden tijdens 1 langgerekte rit. Associërend doorheen de wielergeschiedenis baant hij zich een weg naar de finish.


Kasper Asgreen
Vroeger waren ze overal. Jesse van Dalen – amateurwielrenner, journalist en fervent asfaltliefhebber – is dan ook blij dat hij in onze tijd geboren werd. Nu vinden we kasseien vooral nog in het voorjaar, tijdens 1 langgerekte feestmaand. Wanneer de wielersport als een stroomstoot door Vlaanderen trekt en de oeroude stenen voor het spektakel zorgen.
Volgens de auteur een genot om naar te kijken, maar een raadsel waarom je er over zou willen. “Ik haat boomwortels die het asfalt omhoogdrukken”, klinkt het. “Ik haat drempels en betonplaten die net niet perfect aansluiten. Dus als er iets is wat ik écht haat, dan zijn het wel kasseien!”
Om de liefde voor iets te vinden, moet je het opzoeken, moet de Nederlander gedacht hebben. Hij trok dus de ‘kutwegen’ van de Ronde van Vlaanderen op en haspelde de editie af waarin Kasper Asgreen MVDP en de hele wielerwereld verdwaasd achterliet na zijn machtige eindsprint. De volle 250 km lang wil hij afrijden, een verslag dat hij mengt met gesprekken met ervaringsdeskundigen uit de koers.
Onvergetelijk is het boek niet, niettemin loont het wel de moeite om te lezen. Van Dalens verslag leest erg vlot weg. Ideaal om het voorjaarsgevoel op te roepen in de verloren wintermaanden of de wielergekte aan te wakkeren tijdens het voorjaar. Vergelijk het boek gerust met een ontspannen rit in het zadel, waarbij je geniet van het fietsen, terwijl jouw gedachten voortdurend afdwalen. Ook de auteur waaiert uit, in fijne fragmenten die je terugwerpen naar koersen uit het verleden. Het zijn soms sprintjes, soms een mini-interval die je alert houdt



Bos van Wallers
Want zeg nu zelf: het vraagt wel wat verbeelding om op een doordeweekse dag het Monumentgevoel onderweg op te roepen. Na 7 km constateert Van Dalen al industrie, files en wegen vol modder en zand. Het doet wat denken aan onze poging om het bemoste Bos van Wallers door te rijden op een willekeurige natte dag. Dan was de door geiten afgegraasde versie tijdens de Parijs-Roubaix cyclo, aangemoedigd door het publiek van de vrouwenkoers, een pak aangenamer.
Maar goed, we rijden mee verder met de auteur. Ook tijdens de echte Ronde is het niet meteen kermis en dienen de eerste uren om er in te komen en de sfeer op te bouwen. Aanknopingspunten langs de kant bieden handige excuses om uitstapjes naar de geschiedenis en wielergeschiedenis te maken. De associaties van de auteur rijgen de stukjes tot een samenhangend verhaal aaneen.
Een groot stuk van de anekdotes zal niet nieuw zijn voor de echte liefhebbers. Sommige uitwijdingen hoefden wat ons betreft niet, omdat ze wat te oppervlakkig uitgewerkt zijn. Zo verslikt Van Dalen zich in een stukje over hoeveel bar er in een band moet. Op andere momenten verrast het boek echter met een aantal nieuwe ontdekkingen. Zoals over de 1e Nederlander in een grote kasseienkoers (ook een Mathieu), die een overwinning in Parijs-Roubaix werd bestolen. Of de verplichte fietswissel bij aankomst op de piste in Roubaix in de begindagen van de Hel van het Noorden.



Van Ten Dam tot Vermote
De bespiegelingen van de auteur spreken geregeld aan. Bijvoorbeeld over hoe Gent-Wevelgem stilstaat bij de doden van decennia terug, maar het peloton wel verder rijdt bij de sterfgevallen van de afgelopen jaren in de koers. Van het woord kinderkopjes blijkt de auteur geen fan. “En daar rijden we dan lekker overheen, vrij luguber als je het mij vraagt.”
Naarmate het boek vordert, merken we dat het ophalen van de gekende anekdotes best goed werkt. Daarin lijkt het op de kijkmarathon van de echte Ronde: je weet bijna wat José De Cauwer zal vertellen en toch hang je aan zijn lippen.
De auteur is een Nederlander, dus gaat er vrij veel aandacht naar de Nederlandse prestaties in de kasseiklassiekers. Hij brengt onder meer getuigenissen van Laurens ten Dam en Steven de Jongh. Met gesprekken met onder andere Julien Vermote en Dries De Bondt dacht Van Dalen echter ook aan de Vlamingen onder ons.
De hamvraag blijft natuurlijk of de auteur de liefde voor de kasseien onderweg ontdekt. Na de Lippenhovestraat is hij geen kasseimaagd meer, maar van een aangename kennismaking kan je niet spreken. Gaandeweg leert de auteur dat kasseien rijden een kwestie van ingesteldheid is. Fysiek een aanslag, mentaal een uitputtingsslag. De zwaarte schuilt niet in de stroken zelf, maar in de manier waarop je ze tegemoet gaat. En dat slotoordeel? Dat zal je zelf moeten ontdekken.
Je kan het boek hier direct op de kop tikken!
Schrijf je in op de nieuwsbrief van SKS en win een Speedrocker XL spatbordenset twv 60 euro. Meer weten?