Op het WK in Hulst werd de Japanse selectie letterlijk en figuurlijk weggedrukt door de grootmachten van de cross. Terwijl bondscoach Yu Takenouchi vecht tegen bezuinigingen en een gebrek aan wedstrijden, betalen zijn jonge renners duizenden euro’s uit eigen zak om aan de start te mogen staan. Voor hen is het WK een droom, maar de bondscoach hoopt vooral dat de Olympische ringen de sport in zijn thuisland kunnen redden.


David en Goliath
De parking van een WK Veldrijden is meestal een stille getuige van de hiërarchie in de sport, maar voor Japan was het een strijd om elke centimeter. Terwijl de Franse ploeg arriveerde met een vloot aan vrachtwagens en de Amerikanen zich breed maakten met hun campers, zag de Japanse ploeg hun toegewezen plek krimpen nog voor ze goed en wel uitgepakt waren. De Franse staf had de hekken verplaatst, waardoor de Japanners op een strookje gras tussen de zware trucks werden geduwd.
Met een bescheiden tent, 2 compacte busjes en de hulp van Belgische staf om de kosten te drukken, was de Japanse aanwezigheid nederig. Het vormde een schril contrast met de grote landen. “We hebben niet veel crosscultuur in Japan”, geeft bondscoach Yu Takenouchi toe. De 5-voudig nationaal kampioen bracht zelf jaren door in België; hij kreeg zelfs een eigen fanclub in Wervik. “Wielrennen is best populair, maar vooral op de baan. Wij zijn het land waar Keirin is uitgevonden. Maar een indoorpiste lijkt in niets op de modder van de cross.”
Het verschil tussen de nationale wedstrijden in Japan en de steile afdalingen in Hulst is dan ook immens. “Vroeger hadden we meer UCI-crossen, nu is het nog maar 1 weekend. Een renner kan in Japan heel goed zijn, maar in Europa volledig worden weggereden. Zelfs door andere Japanse renners”, legt Takenouchi uit. “De wedstrijden zijn zo anders. Wij zijn hier David die het tegen Goliath opneemt. Het is zo moeilijk om in Japan te leren wat er nodig is voor een Belgische cross. Daarom is het essentieel om hier te zijn, al is het maar om te leren omgaan met het lawaai van duizenden fans.”


Bezuinigingen
Idealiter zou de bondscoach langer in Europa blijven met zijn talenten, maar financiële beperkingen maken dat onmogelijk. “Vorig jaar hadden we nog budget om voor het WK de Wereldbekers in Maasmechelen en Hoogerheide te rijden. Dit jaar hebben we een klein begrotingsprobleem bij de bond. Er is op ons budget bezuinigd, dus kwamen we pas op dinsdag aan. We rijden enkel het WK.”
De zwaarste dobber voor Takenouchi is dat de rekening wordt doorgeschoven naar de renners zelf. “Ik vond het moeilijk om dit te verkopen, want iedereen betaalt ongeveer 2.000 euro om 1 week hier te zijn”, vertelt hij over de zelf bekostigde reis. “Maar voor jonge renners is het WK rijden nog steeds een droom. Ik ben trots dat we een team hadden voor de Mixed Relay. Oké, we werden voorlaatste, maar ik wist lang niet of we hier überhaupt zouden staan.”
Uiteindelijk besloot de coach dat deze renners het verdienen om die droom na te jagen. “Mijn junioren moeten aan Japan laten zien dat je kunt koersen op plekken die je anders alleen op tv ziet. Ik wilde dat ze een geweldige ervaring zouden hebben en konden dromen van die regenboogtrui. Die officiële training op donderdag is voor hen bijna een ‘echte’ training om de vaardigheden te leren die de Belgen al van jongs af aan beheersen. Het is super moeilijk, maar zo waardevol.”


Olympische reddingsboei
Zoals de meeste bondscoaches stuurt Takenouchi het gesprek al snel naar de heilige graal: de Olympische status van het veldrijden. “Daarom hoop ik echt dat de cross Olympisch wordt. Ik weet niet waarom, maar Japanners houden enorm van de Spelen, meer dan in andere landen”, zegt Takenouchi met een lach. “De overheid ziet een gouden medaille en geeft sporten als judo, zwemmen en atletiek een enorm budget.”
De hoop is gevestigd op 2030. “Japan wil een goed imago op de Spelen, zeker de wintereditie. Ze geven het schaatsen veel geld om coaches uit Nederland te halen, dus Olympisch worden is voor ons in de cross van levensbelang. Nu is het geen Olympische sport, dus is het heel moeilijk om budget te krijgen om als nationale ploeg naar Europa te komen.”
Tot die status verandert, roeit Takenouchi met de riemen die hij heeft. “We doen wat we kunnen. Een paar renners rijden hier voor het team van Watersley, wat geweldig is voor hun ontwikkeling. Maar om als crossland beter te worden, moeten meer renners die kans krijgen in Europa.” Voorlopig blijft het vechten voor hun plekje, of dat nu in het veld is of op een overvolle parking.