
Het Belgische wielrennen floreert aan de absolute top en de successen rijgen zich aaneen. Maar achter die triomfen schuilt een fundament dat barsten vertoont. Massimo Van Lancker, Directeur Sport bij Belgian Cycling en zelf opgegroeid met de koersmicrobe dankzij een vader die Luik-Bastenaken-Luik won, maakt zich zorgen. De vijver waaruit onze toekomstige kampioenen moeten komen, wordt steeds kleiner. Het is 5 voor 12 voor de basis van onze nationale sport.


De fundamenten van de sport
De taak van een sporttechnisch directeur bij de wielerfederatie is veelomvattend. Het gaat verder dan enkel de weg- en het veldrijden waar Vlaanderen zo gek op is. Ook disciplines als BMX, cyclobal en mountainbike vragen om een solide structuur en een gezonde ontwikkeling. Belgian Cycling probeert, samen met de vleugels Cycling Vlaanderen en FCWB, die werking te bestendigen in elke tak van de sport. “We moeten zorgen dat we ook binnen 10 of 15 jaar nog kunnen juichen voor Belgische winnaar”, benadrukt Van Lancker.
Die toekomst staat of valt met de instroom van jonge renners. De 3 federaties hebben een duidelijke taakverdeling, waarbij de vleugels zich vooral richten op promotie en initiatie. Een brede basis is essentieel, want hoe groter de vijver, hoe meer kans op uitzonderlijk talent dat kan doorgroeien. Zonder een constante aanwas van jeugdige fietsers, droogt de bron van kampioenen onherroepelijk op.
Toch zijn de signalen zorgwekkend. Van Lancker ziet dat het aantal renners in de jeugdcategorieën daalt en het aantal wedstrijden afneemt. “Vooral bij de jeugd is het aantal koersen de voorbije 10 jaar bijna gehalveerd”, vertelt hij tijdens de voorstelling van de GP Rik Van Looy 2026 in Herentals. “Het is een stille uitholling van de sport die vraagt om een kordate aanpak. De weelde aan de top mag geen zand in de ogen strooien voor de problemen aan de basis.”



Van kermiskoers tot klimproject
Het Belgische wielerlandschap kent 3 soorten wedstrijden. “De regionale kermiskoersen vormen de laagdrempelige instap, gevolgd door de nationale interclubs en ten slotte de internationale wedstrijden als hoogste strijdtoneel”, legt Van Lancker uit. “Juist die 1e, cruciale trede wordt steeds schaarser. Wanneer een beginnende renner een uur moet rijden voor een wedstrijd, is de drempel veel hoger dan bij sporten met lokale infrastructuur in elke gemeente.”
“Als federatie zetten we ons daarom in om organisatoren maximaal te ondersteunen. Dat gebeurt niet alleen door te ijveren voor een goede geografische spreiding van wedstrijden voor elk niveau, maar ook heel concreet. We bieden met Belgian Cycling diensten aan zoals verzekeringen, communicatiemiddelen en een uniforme wedstrijdadministratie. Het doel is om het voor de vele vrijwilligers zo eenvoudig mogelijk te maken om een koers op poten te zetten.”
Zodra talent wordt gedetecteerd, schieten de ontwikkelingsprogramma’s in gang. “Nationale competities, zoals de Topcompetitie, hebben in het verleden al bewezen een perfecte tussenstap te zijn naar het internationale niveau. Daarnaast worden er via de nationale ploegen specifieke projecten opgezet, zoals een klimproject dat er ongetwijfeld mee voor heeft gezorgd dat we vandaag een generatie renners hebben die uitstekend bergop kan rijden”, beseft de Oost-Vlaming.



Uitdagingen voor morgen
1 van de grootste gevaren voor de toekomst is de kostprijs. Wielrennen mag geen dure elitesport worden, een bezorgdheid die Van Lancker deelt. “Via laagdrempelige trainingen en de goede werking van de vele clubs in Vlaanderen wordt geprobeerd om de sport toegankelijk te houden voor iedereen”, legt hij uit. “Toch blijft het een moeilijke uitdaging in een wereld waar materiaal en begeleiding steeds professioneler en duurder worden.”
“Een ander heikel punt is de veiligheid. Hoewel organisatoren enorme inspanningen leveren en de samenwerking met de politie in België uitstekend is, wordt een koers nog altijd gemaakt door de renners zelf. Er is een mentaliteitswijziging nodig, vooral bij jonge renners die soms onverantwoorde risico’s nemen. Bewustmakingscampagnes rond respect en fairplay zijn cruciaal om het aantal valpartijen terug te dringen.”
Tot slot moet de blik op de toekomst gericht blijven. “De samenwerking tussen de federaties en de Vlaamse Wielerschool is daarbij van levensbelang”, vindt hij. Een volledige integratie zou volgens Van Lancker vooral een financiële besparing zijn, maar niet noodzakelijk in het belang van de sport. “Een goede samenwerking tussen de verschillende partijen, met behoud van ieders identiteit en met 1 gemeenschappelijk doel, is de enige juiste weg vooruit: de toekomst van het Belgische wielrennen verzekeren.

