Het mountainbiken is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd, met een mondiale top die steeds jonger wordt en parcoursen die technischer en explosiever zijn dan ooit tevoren. Bondscoach Jeff Luyten ziet die snelle evolutie van dichtbij en worstelt tegelijkertijd met de aantrekkingskracht van het wegwielrennen en het veldrijden op zijn grootste talenten.


Veranderend landschap
Het mountainbiken onderging sinds het afscheid van Luyten als actief renner een aanzienlijke transformatie op het vlak van parcoursen. “Die zijn in het algemeen iets korter geworden en ze zijn ook iets explosiever, de klimmen zijn een beetje korter en de afdalingen zijn overduidelijk veel technischer geworden”, duidt Luyten, die begin 2025 het roer overnam van Filip Meirhaeghe. “Dat zorgt ervoor dat renners op een veel jongere leeftijd hun absolute fysieke hoogtepunt bereiken op internationaal niveau.”
“Er is zo 2 à 3 jaar geleden een nieuwe generatie opgestaan van jongere renners. We zien dat ze al bij de U15 en U17 serieus aan het trainen zijn. Hun topjaren liggen nu doorgaans op hun 25 of 26, terwijl dat vroeger rond de 30 was. De renners zijn ook veel explosiever en veel technischer. De sport is op dat gebied wel fundamenteel veranderd.”
De bondscoach probeert in zijn dagelijkse werking een evenwicht te vinden tussen de professionalisering en het spelplezier bij de jongere leeftijden. “Zelf ben ik van mening dat de U15 en zelfs U17 eigenlijk nog maar kinderen zijn. Die moeten in 1e instantie gewoon in elke categorie genieten van hun sport, de stiel leren en rustig aan hun stappen zetten. Dat zullen we bij de federatie ook zo blijven doen.”


Opleiding en jeugd
Toch kan ook Belgian Cycling de ogen niet sluiten voor de steeds snellere ontwikkeling van ambitieuze jongeren die de internationale top ambiëren. “De jeugd is soms wel klaar om meer trainingsarbeid te doen en ze willen ook meegaan met het mondiale niveau”, bevestigt de Kempenaar. “De trainers zijn beter opgeleid dan vroeger, er is veel meer kennis en de mindset bij de jeugd verandert ook. Dus als we merken dat een bepaalde renner die trainingsarbeid mentaal echt aankan, is het niet aan ons om iemand daarin af te remmen.”
Die trainingsdata analyseren en de groeimarge inschatten, dat vergt een zorgvuldige en individuele aanpak. “Renners die hun doorgroei kennen op iets latere leeftijd kunnen het even ver schoppen dan iemand die veel sneller stappen heeft gezet. Het is voor mij de kunst om in een trainingsdagboek te kunnen inschatten wat iemand doet, hoeveel die traint, en wat het potentieel is om verdere stappen te zetten. Het is wel moeilijker geworden om een goede inschatting te maken van hoe ver iemand al werkelijk staat met een bepaald trainingsvolume. Dat breder kijken is een uitdaging, ja.”
Aan de basis van de piramide is de instroom van jonge, enthousiaste mountainbikers in België nog steeds veelbelovend te noemen. “Ik merk dat het mountainbiken zeker bij de jeugdcategorieën wel een heel populaire sport blijft”, vindt Luyten. “We zien jaarlijks ook veel jonge beginnende mountainbikers die overkomen van het BMX, dus de vijver om in te vissen blijft op zich wel voldoende groot.”


Pijnpunt
Een pijnpunt situeert zich wel wanneer weg- en crossteams met een meer professionele opleidingsstructuur jonge mountainbikers benaderen. “Zodra talentvolle jongeren die potentieel verschillende disciplines combineren zich in de kijker rijden, zijn er heel wat van die teams die aan hen beginnen te trekken om hen zo snel mogelijk in een professionele omkadering op de weg of in de cross te krijgen”, beseft Luyten. “Dat vind ik niet altijd beter, al is het ergens ook wel te begrijpen.”
Die potentiële uitstroom hypothekeert vaak voor een deel de technische en fysieke ontwikkeling. “Het is voor hun eigen ontwikkeling vaak veel beter is om langer te mountainbiken, zeker technisch en fysiek gezien. Vaak maken ze snel de overstap naar de weg omdat ze bang zijn om de boot te missen bij een development team. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat je daar meer kansen hebt om geld te verdienen. Daar kunnen we niet rond. Om in het mountainbiken je boterham te verdienen, moet je zeker in de top 20 van de wereld zitten, dan is er meer marge in de populairdere andere disciplines.”