Je kent het wel van vroeger. Dat gevoel dat het uitstapje naar de Efteling dichterbij komt. En je een maand op voorhand je offensief start: hoe lang nog? Waarop je ouders dan braaf iedere avond weer beloven dat het een nachtje minder lang slapen is. Dat gevoel overheerst nu ook al een week of 3. Gelukkig kan ik op 27-jarige leeftijd zelf tellen en weet ik dat het nog maar 7 keer slapen is tot de Omloop Het Nieuwsblad.

De wielermagazines liggen naast mijn bed. Als ik ga slapen en als ik opsta. Ze steken in mijn werktas. Ze verhuizen mee van de badkamer naar de ontbijttafel. Mijn handtas is niet compleet zonder. Zonder ook maar een spoor van de koers. Terwijl ik overdag, op korte, vrije momenten, het internet op me af laat komen. De sportpagina’s krijgen plots een veel nauwere blik.
Wielrennen. Dat woord. Zien. En verloren zijn.
’s Nachts fiets ik in dromenland over de Muur. Naar Alpe d’Huez. Langs de kasseien van de hel. En ik geniet. Eenmaal wakker geworden besef ik maar al te goed dat het een droom was. Dat ik in realiteit al na 100 meter op de Muur zou hebben staan wenen als een klein kind. Omdat ik geen sport karakter heb.
(En geen conditie.)

Of verliest.


Ik ben enthousiast in heel veel dingen in het leven. Van feestjes tot het schrijven van deze tekst. Maar het enthousiasme dat zich ontplooit als ik thuis voor de televisie helemaal opga in de finale van die ene wedstrijd op zondagnamiddag, of het nu de Ronde van Turkije is of Parijs-Roubaix, dat is met werkelijk niets te vergelijken. Of bijna niets. Misschien wel met die 5-jarige die uit z’n bed jumpt als mama om 7u ’s ochtends zegt: “Hey, opstaan, we gaan naar de Efteling.”
Maar zelfs dat betwijfel ik.