Met een camper van onze partner Alpha Motorhomes togen we dezer dagen richting de Franse westkust. We kampeerden in La Rochelle, namen de fiets uit de mobilhome en reden de 3 km lange brug over die het vasteland met het eiland Île de Ré verbindt.


De brug
Die brug maakt 1 lange bocht en klimt tot 47 meter hoogte. Het is de enige klim die we vandaag doen, al moeten we hem straks uiteraard ook nog in de andere richting nemen. Het fietspad is vrij toegankelijk, want je betaalt 4 euro tolheffing om er met de wagen over te mogen.
Île de Ré behoort tot de regio Nouvelle-Aquitaine in het departement Charente-Maritime. Het eiland heeft een lengte van ongeveer 26 km en is nergens meer dan 5 km breed. Je kan er onmogelijk verloren rijden, een GPX is dus totaal overbodig. Vanaf de voet van de brug fiets je alsmaar rechtdoor tot het uiterste punt en dan keer je terug. Dat moet deels over dezelfde wegen omdat het eiland op sommige plekken slechts 70 meter breed is. Bovendien staan de ‘voies vertes’, de afgescheiden fietspaden of andere rustige fietsweggetjes, perfect uitgepijld.
Je herkent die ‘voies vertes’ aan de groen-witte bewegwijzering, waar ook telkens het volgende dorpje en de afstand daartoe wordt vermeld. Het wegdek van die fietspaden is doorgaans in prima staat. Hier en daar moet je een klein stukje dolomiet over maar dat is dermate aangestampt dat het eerder op beton lijkt. We deden het traject na enkele dagen van regen, mét dunne bandjes, en kwamen nooit in de problemen.





De rit
Het 1e dorpje op het eiland is Revedoux Plage, met vooral nieuwbouw vakantiewoningen. Het mist de charme die de andere dorpen wél hebben. Je fietst op een van de weg afgescheiden fietspad langs iets wat het midden houdt tussen duingebied, naaldbos en bebouwde kom. Al snel komen we in Sainte-Marie-de-Ré, waar we verder de pijlen richting Le Bois Page en Ré volgen. Daar markeert een oude windmolen de rand van het dorp. We zitten nu aan de zuidelijke zijde van het eiland. Het landschap is uitermate vlak en we fietsen door schrale weiden die worden afgewisseld met wijngaarden.
Die laatste worden geëxploiteerd door de coöperatieve van wijnboeren van het eiland en omvat 650 hectaren aan wijnbouw. We zien regelmatig een torenvalk biddend op zoek naar kleine knaagdieren. Ook de blauwe en zilverreiger zullen we meermaals kunnen spotten. Af en toe vliegt er ook een buizerd ongestoord laag over. Voor we het weten zijn we in La Couarde-sur-Mer, waar de fietsroute een kaarsrecht smal pad door de velden is. Stilaan verdwijnt de wijnbouw en maakt die plaats voor de artisanaal met de hand uitgegraven zoutpannen, waar men het ‘fleur de sel’ oogst. Vele van die zoutpannen zijn intussen verlaten want commercieel niet meer haalbaar. Dat maakt dat het landschap er hier eerder als slikken en schorren uitziet.
We bespieden de lepelaars die er op zoek gaan naar voedsel. We fietsen Ars en Ré door, met zijn charmante haventje. We vervolgen de voies vertes en houden er rekening mee dat deze soms ook gebruikt worden door lokale zoutontginners of wijnbouwers, dus steeds alert blijven is de boodschap. Het volgende dorp is Saint-Clément-des-Baleines, waarvan de naam verraadt dat hier vroeger walvissen werden waargenomen. We volgen nu al een hele tijd de bordjes ‘Le Phare’ en inderdaad, op het uiterst westelijke punt van het eiland vind je de vuurtoren van de Walvis, waar een obligate foto moet worden genomen.





Charentais met zeeverse oesters
Via een lus komen we terug in Saint-Clément, waar we bij het verlaten van het dorp even een kort stukje dolomiet onder de wielen krijgen. We komen wat later terug op het traject dat we daarnet hebben gedaan, maar doen het nu in de omgekeerde richting. Als je geluk hebt, zie je hier een vos de weg oversteken. Terug in Ars is het misschien een leuk idee om een koffiestop in te lassen, maar wij gaan onverstoorbaar verder. Net voor het binnenrijden van La Couarde slaan we links en wat verder rechts af en volgen nu de pijlen naar Saint-Martin-de-Ré, langs de noordkant van het eiland.
Dit stadje mag je zeker niet links laten liggen, want het is hét hoogtepunt van het eiland: het plaatsje is een voormalig versterkt fort van Vauban, herkenbaar aan die typische militaire 17e-eeuwse architectuur. De grote vestingswal heeft 5 bastions, zwaar verdedigbare toegangen, rond een haventje dat nu een toeristische trekpleister is. En dat is meteen ook een waarschuwing: in de zomervakantie kan het hier erg druk zijn en zijn de mooie fietswegen druk bezet door minder getrainde fietsers. Best is dus om het eiland te bezoeken in de maanden april tot en met juni, of in september.
Intussen zijn we al op weg naar het gehucht La Flotte om vandaar verder door te steken naar Rivedoux, waar we onze rit startten. We hebben dan 75 km op de teller staan met amper 150 hoogtemeters. Nagenieten doen we met een glaasje Charentais met zeeverse oesters.


