Onze redacteur Alex Polfliet was lang geleden een niet onverdienstelijk jeugdrenner. Maar niet goed genoeg om een profcarrière te ambiëren, zo begreep hij snel. Hij won regelmatig een koers. Zijn allereerste wedstrijd zou hij gaan winnen. Maar dat toch mislukte dan toch.


Clubkampioenschap WK Artevelde
Op 26 februari 1978 stond ik als 15-jarige aan de start van het Clubkampioenschap voor nieuwelingen van WK Artevelde. Dat was in het biljartvlakke Zwijnaarde. Ik was bloednerveus en trilde van de stress. Ik had geen flauw idee welk niveau ik haalde en dit werd de 1e echte waardemeter.
Het kleine pelotonnetje van ploegmaats trok zich op gang voor een wedstrijd van amper 35 km. Er werd niet al te hard gereden, we haalden 36 km/u gemiddeld. Iedereen keek naar de aalvlugge 2e jaars nieuweling Robert D’Hondt. Die had in zijn 1e jaar al een paar koersen gewonnen. Hij zou later profrenner worden en vooral op de wielerpiste floreren. Maar Robert vond het wel goed: hij zou ons in de spurt toch kloppen. Mogelijks had hij een beetje schrik van m’n 1 jaar oudere broer, Ronald. Die had al een paar 2e plaatsen in massaspurts op zijn erelijst. Heel af en toe kwam er eens een prikje van de betere renners in de ploeg. Dan ging het tempo met een ruk de hoogte in en moesten de mindere goden lossen. Maar een noemenswaardige ontsnapping was er nooit.”
“Ik kon het tempo best aan, maar ergens halfweg tik ik tegen iemands achterwiel en sla ik tegen het beton. Na een korte aarzeling neem ik m’n fiets, een spuuglelijke grijze Mercier, en zet ik de achtervolging in. Ik neem zonder problemen mijn plaats in de groep terug in en lik mijn wonden. Halfweg de laatste ronde val ik aan. “Dan moet D’Hondt het gat dichten en kan onze Ronny hem kloppen!”, dacht ik. Tot mijn en eenieders verbazing reageert niemand. Ik rijd weg: 100 meter, 200 meter, 500 meter. “Ze zien mij niet meer!”



De meet in het Meetjesland
Op 2 km van de streep zijn de achtervolgers nog slechts kleine stipjes, ver achter mij. “Ik ga winnen!” En dan gebeurt het, de nervositeit verlamt mijn benen. Ik blokkeer en mijn tempo stokt. Ik haal geen 25 km/u meer. In een wip komt de groep terug. D’Hondt moet amper energie verspillen, wint de sprint en mijn broer wordt 2e. Ik eindig 7e. Verschillende renners vragen me wat er gebeurd is. “Jij kon niet verliezen!”
Exact 1 maand later, op 26 maart 1978, overkomt het me nog eens. In de nieuwelingenkoers van Waarschoot, in het Meetjesland, blijft het peloton de hele koers gesloten. Tot de laatste ronde: ik spring weg en het peloton laat begaan. Opnieuw rijd ik een mega voorsprong bijeen. Een bomma op een krakkemikkige oude damesfiets had met zulk een voorgift gewonnen. Maar ik niet. Opnieuw lijken mijn benen wel verlamd van schrik. Schrik om te winnen.
De rest van mijn 1e seizoen zou ik de ereplaatsen opeenstapelen. Ik blijk een goede neus voor de juiste ontsnapping te hebben. Maar ik blijk ook een strijkijzer te zijn. Meestal eindig ik in de spurt laatste van het groepje waarmee ik voorop reed. Meerdere keren word ik 2e omdat we met 2 vooruit zaten. Het is al eind augustus wanneer de ban toch gebroken wordt. In Merendree, opnieuw in het Meetjesland, dicht ik alleen het gat op de eerder ontsnapte thuisrenner Filip Van Vooren.
Die zal later een verdienstelijk profrenner worden. We blijven goed aflossen en geven het peloton geen schijn van kans om terug te keren. Ik begin van ver de sprint, of wat daarvoor moet doorgaan. En zit eigenlijk te wachten tot Filip over me komt. Maar hij komt niet, tot mijn grote verbazing en tot grote ontgoocheling van heel Merendree. Ik herinner me dat ik vooral ontgoocheld was dat ik de bloemen met bijhorende kussen van de vrouw van de burgemeester kreeg en niet van 1 of andere bevallige plaatselijke deerne.



Psychische oorzaak
Lang heb ik me afgevraagd wat er in Zwijnaarde en Waarschoot precies was gebeurd. Hoe kan het dat je het ene moment 45 km/u rijdt en even verder 25, op een vlakke weg, enkel omdat je nerveus wordt? Enkele (ex-)renners kenden het fenomeen als ‘schrik om te winnen’. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks overkwam. Zo liet Marc Devlieger uit Machelen-aan-de-Leie me via social media volgend verhaal weten.
“In september 1973 rijd ik een voorsprong van 2 minuten bijeen in de juniorenkoers in buurgemeente Olsene. De gedachte dat ik zeker zou gaan winnen slaat me in de voorlaatste ronde echt in de benen. Het onmogelijke gebeurt. Een achtervolgend groepje loopt me in en laat me achter. Ik word teleurgesteld 7e.” Maar een week later spoelt Devlieger de ontgoocheling door: hij wint in Kain.
47 jaar na de feiten vind ik via dokter google het antwoord op mijn vragen. Ik had een conversiestoornis. Dat is een uitval van 1 of beide benen of 1 of beide armen; de ledematen kunnen plotseling niet meer functioneren. Een conversiestoornis heeft een psychische oorzaak en kan worden veroorzaakt door acute stress. Dat moet het geweest zijn. En de beste remedie tegen ‘schrik om te winnen’ blijkt ‘per ongeluk winnen’….

