Herinneringen aan Kuurne-Brussel-Kuurne 1971.
Een ooggetuigenverslag door Herman P.

’t Was écht koud. En er lag sneeuw langs de kant van de weg. Eigenlijk geen weer om een hond door te jagen. En toch werd er gekoerst, dat weekend van 6 en 7 maart 1971. Om de coureurs een beetje courage te geven, heb ik mij dik ingeduffeld en ben ik naar de koers geweest hier in Kuurne. Mijn dochtertje Carolina wilde per se ook mee. Ze is net als ik zot van de koers. Onderweg hebben we geroepen naar Jean-Pierre Monseré, ge weet wel, de wereldkampioen. Hij hoorde het, grijnsde eens en trok een knipoog, ik zie het nog zo voor mij. En 1 week later was hij dood. Niet te geloven.

In de voorbeschouwingen van Het Volk schreven ze het al: ‘Wereldkampioen Monseré onze favoriet voor Omloop beide Vlaanderen te Kuurne’. Omdat Monseré in augustus 1970 wereldkampioen was geworden en zijn trui in eigen streek eens wilde tonen. Da’s normaal, hé. Nu, het was al de 2e keer dat hij in Kuurne aan de start stond. In 1970 reed hij als neoprof een hele goeie wedstrijd, maar hij miste de slag op de Kwaremont. Hij zat nochtans heel de tijd vooraan in de kopgroep. Maar op de Kwaremont liet hij zich uitzakken. En net dan werd er stevig aan de boom geschud en viel de kopgroep uiteen. Dat heet leergeld betalen. Jempi finishte uiteindelijk als 11e.

Bierkaartje

Het openingsweekend lag hem wel. Hij was dan al goed in vorm. Ook in de Omloop Het Volk van ’70 reed hij trouwens erg goed. Maar ja, Monseré kon eigenlijk op elk terrein goed uit de voeten. Het is daarom dat ik supporter ben geworden van hem. En ook omdat het een speelvogel was. Pas op, op en top prof maar tegelijk een pallieter. Echt, van die soort maken ze er nu geen meer. Maar goed. Ik ging dus naar de start in Kuurne, zoals elk jaar. Om te kijken naar de coureurs en om een klapke te doen met andere wielersupporters. Dat maakt de koers zo leuk: je raakt er wel altijd met iemand aan de praat over wie dat er in vorm zit en wie niet.

Op een gegeven moment zien we Monseré voorbij rijden. ‘Jean-Pierre’, riep ik. Hij trok zijn remmen dicht en stopte bij ons. Ik stak hem snel een bierkaartje toe terwijl Carolina met open mond zat te kijken naar Monseré. De wereldkampioen! Vlak bij haar! Fantastisch vond ze dat. Ze praat er nu nog altijd over. Jean-Pierre lachte, zette snel zijn krabbel en vertrok weer. Een crème van een vent. Maar ik heb dat al een keer gezegd, zeker? Ook als wereldkampioen bleef hij met beide voetjes op de grond. Dat is niet iedereen gegeven.

Nog zotter

Op de middag zijn ze dan gestart. Ik geloof dat er iets meer dan 100 coureurs waren. Allemaal met wintermutsen, lange broeken en dikke handschoenen. Courage hadden ze alleszins! Bij momenten is de koers toch een beestenstiel, dacht ik bij mezelf, ik weet het nog goed. In afwachting van de passage 2 uur later in Kuurne gingen Carolina en ik een Oxo drinken in een café in het centrum. Ze zat daar met grote ogen te kijken naar de handtekening van Jean-Pierre en hield dat viltje vast alsof haar leven er van afhing. Haar ogen fonkelden gelijk sterren aan de hemel. Tegen 20 voor 3 passeerden ze weer in onze gemeente. En snel dat het ging! Veel renners hebben we niet herkend, behalve dan die ene met zijn regenboogtrui aan. Natuurlijk riepen we achter hem. Hij hoorde het, keek even naar ons en trok een knipoog! Carolina was vaneigens nog zotter dan tevoren. Haar dag kon al niet meer stuk en nu dat ook nog…

We zijn toen snel in onze auto gesprongen en naar Ooigem gereden. Mijn nonkel Gilbert woonde daar toen. Hij was een grote supporter van Eric Leman, niet alleen omdat Lemantje heel goed kon spurten maar vooral omdat hij in zijn straat woonde. Soit, in Ooigem moesten ze nog een kleine 20 km koersen tot in Kuurne. De 3 koplopers – Jos Abelhausen, Willy Van Neste en Georges Pintens – passeerden met een kleine voorsprong op een achtervolgende groep. Als ze nog kans wilden maken op de overwinning, was het eigenlijk nu of nooit voor dat pelotonnetje. En inderdaad, het was alsof ze mijn gedachten konden lezen. Voor onze neus demarreerde Eric Leman, misschien bij wijze van eresaluut aan mijn nonkel, wie weet. Maar in ieder geval ging hij heel hard.

Frans Verbeeck, Noël Vanclooster en Barry Hoban hadden het in de mot en sprongen meteen mee. Roger De Vlaeminck en Roger Rosiers sloten ook aan. Monseré zat iets te ver in die groep en zat gevangen in de ploegtactiek. Met Leman en De Vlaeminck waren er al 2 Flandria’s mee. Ik zag hem nerveus rondkijken, maar ja, het was te laat, hé. Hij heeft het toch nog geprobeerd, las ik achteraf in de krant. 2 keer is hij teruggepakt, de 3e keer was hij weg. Hij is naar ‘t schijnt tot op 100 meter van de kopgroep geraakt, maar aansluiting heeft hij niet meer gevonden. Uiteindelijk is hij 10e geworden, op 45 seconden van de kopgroep. Ook niet slecht, maar met een 10e plaats koop je niks. Dat Roger won, was het enige lichtpunt voor Jempi.

Voor altijd 22

Een week na Kuurne ging Monseré een koers gaan rijden in Retie, in de Kempen. En daar is het gebeurd. Op maandag 15 maart 1971. Hij botste tegen een auto en was op slag dood. Het is pas ‘s avonds tijdens het journaal op de BRT dat ik hoorde dat Jean-Pierre overleden was. Mijn hart stond toch even stil, hoor. Ik was er echt niet goed van. Ook voor Carolina was het verschieten. Ze begon tranen met tuiten te huilen. Omdat we ze maar moeilijk konden troosten, mocht ze van ons dat bierkaartje onder haar hoofdkussen leggen, om in slaap te geraken. Ik denk dat ze dat kaartje nog altijd ergens heeft zitten, als een soort relikwie.

Een paar dagen later moest ze op school een opstelletje schrijven. Weet je wat ze heeft geschreven? ‘Een vreselijk wielerongeluk’, dat schreef ze. Over hoe ze tijdens het journaal zag dat Monseré was gestorven, dat hij nog maar 22 jaar was en dat ze een handtekening van hem had gekregen voor de start van de Omloop beide Vlaanderen hier in Kuurne. En dat ze in haar bed nog altijd aan hem moest denken, dat ze toen nog een gebedje had gepreveld en dat ze toen pas gerust was. En ze sloot af met deze zin: ‘Moge de ziel van Monseré in vrede rusten.’ Weet je wat haar juffrouw er toen heeft bijgeschreven als commentaar? ‘Fijn meegeleefd, Carolina’. Straf toch, voor zo’n kind. Maar ja, Jempi was allemans vriend. Daarom was het verdriet over zijn dood ook zo groot. We zijn een aantal maanden later een keer naar zijn graf geweest en hebben er een klein boeketje bloemen neergelegd. Zijn graf lag toen nog vol met bloemen en aandenkens van andere supporters. Samen met Carolina heb ik er een traditie van gemaakt om elk jaar zijn graf te gaan bezoeken.

Ik heb later nog vaak gedacht: stel dat Monseré niet verongelukt zou zijn, wat ging hij allemaal gewonnen hebben? Kuurne zeker, in die 2 keer dat hij hier koerste, heeft hij getoond dat hij dat kon. En de rest? Goh, kleinere rittenkoersen, klassiekers, de Tour? Misschien zou hij zelfs Merckx geëvenaard hebben, wie zal het zeggen. In ieder geval zullen we dat nooit te weten komen. Want Monseré is jammer genoeg voor altijd 22 gebleven, daar die dag in Retie. Terwijl hij dit jaar eigenlijk 70 ging worden. Een mooie leeftijd. Maar ja, het heeft niet mogen zijn….

Fotomateriaal: Wielermuseum Roeselare.

Total
317
Shares

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*