
Nationale wedstrijd voor ‘elite vrouwen’, Zottegem-Strijpen, dinsdag 22 juli 2025: 110 deelnemers, waarvan exact de helft buitenlanders. Nationale wedstrijd voor ‘elite vrouwen’, Bambrugge, vrijdag 25 juli 2025: 147 vertrekkers, 101 niet-Belgen. Dat is 2/3 uit het buitenland. De ‘nationale’ wedstrijden voor vrouwen krijgen een steeds internationaler karakter. Organisatoren wrijven zich in de handen met zo’n ruim en gekleurd deelnemersveld. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille.


Kermiskoersen als internationale topwedstrijden
Van 1 juli tot 31 augustus 2025 zijn er liefst 36 wedstrijddagen in België. 2 daarvan in Wallonië, 34 in Vlaanderen. 9 wedstrijddagen betreffen UCI-wedstrijden (zoals de Baloise Ladies Tour), de rest zijn ‘nationale’ wedstrijden. De meeste daarvan ter gelegenheid van de plaatselijke kermis, vandaar ook de soms wat pejoratief geïnterpreteerde bijnaam ‘kermiskoers’. Pejoratief, want de term ‘kermiskoers’ stond vroeger in het mannenprofpeloton wel eens gelijk aan ‘van niet al te hoog niveau’.
Er werd al eens een koers verkocht aan een lokale held. De premies werden – soms zelfs vooraf – verdeeld, bepaalde vedetten kregen wat startgeld, de snelheid was niet te hoog, het parcours niet te lastig, bookmakers zetten weddenschappen langs de kant van weg op met een krijtbord, renners ‘zaten in de slag’ (lees: spraken over de teamgrenzen heen om voor of tegen deze of gene renner te rijden), in de koers werd al eens wat toneel gespeeld,….
Niets daarvan in het vrouwenwielrennen: de ‘kermis’koers wordt er bloedserieus genomen. En het niveau en de snelheid is hoog. Individuele junioren, beloften en pure amateurrensters strijden er met ongelijke wapens tegen WorldTour-rensters die in ploegverband de boel aan flarden trekken of een kopgroep speelruimte geeft om dan in de laatste kilometers het gat dicht te kletsen. En vooral: de rensters komen van heinde en ver om in Vlaanderen ‘te leren koersen’.
In Zottegem won een weerom heel sterke Sandrine Tas voor Alana Castrique. En met ook nog Annelies Nijssen op plek 5 bewezen de Belgische rensters dat er naast Lotte Kopecky nog talent is. Maar woensdag telden we in Deinze slechts 4 Belgische meisjes in de top 20. En vrijdag in Bambrugge zaten er in de vlucht van 13 toch 5 Belgische rensters, maar zij konden zich niet bij de eerst 6 plaatsen. De ervaren Nederlandse Nina Kessler won de spurt van de kopgroep voor haar EF-ploegmate en landgenote Babette van der Wolf. Opvallend is dat zowel in Strijpen als in Bambrugge EF en AG Insurance de wedstrijd naar hun hand konden zetten, ook al ging in Strijpen clubrenster Tas met de bloemen lopen.



Te voet De Vlamme op
In het onooglijke Oost-Vlaamse Bambrugge wisten de organisatoren niet wat hen overkwam. Aan de inschrijvingstafel stonden rensters te drummen uit Nederland, de VS, Canada, Zwitserland, Nieuw-Zeeland, Hongarije, Ierland, Polen, Australië, Groot-Brittannië, Italië, Argentinië, Denemarken, Noorwegen, Brazilië, Duitsland, Tsjechië, Japan, Spanje, Egypte, Israël, Estland, Algerije, Frankrijk en Oekraïne. 26 nationaliteiten op 147 deelnemers, 101 niet-Belgen! Nu is het voor een organisator misschien wel een compliment om zoveel starters te hebben, een goede zaak is dit toch niet.
Naar het waarom van die internationale interesse is het niet lang zoeken. Er zijn in het buitenland gewoon nauwelijks wedstrijden. Ja, er is de Giro en de Tour voor de absolute top. Maar wie niet tot dat kransje absolute internationale toprensters behoort, komt haar geluk in België beproeven. Soms met de hele ploeg, soms betreft het een renster die bij een Belgische ploeg rijdt en hier tijdens het seizoen onderdak vindt. Soms moet zo’n meisje het helemaal alleen beredderen. Zoals de Algerijnse Nesrine Houili van het MPT-team bijvoorbeeld. Alle rensters komen naar België ‘om de stiel te leren’ in het land van de koers. Allen zijn ze onder de indruk van hoe in ons land de sport leeft, hoeveel volk er langs de kant van de weg hen komt aanmoedigen.
Sommige exotische rensters worden op die Vlaamse bochtige wegen ‘ontdekt’, voor anderen is het een bikkelharde confrontatie met het toenemende niveau van het vrouwenwielrennen. Zo weet het peloton intussen dat de Egyptische Ebtissam Zayed een te duchten concurrente is als het op een massaspurt uitdraait.



Ingrijpen!
Maar zo zagen we in de wedstrijd van Zottegem-Strijpen vorige dinsdag, 22 juli, een meisje uit een ver buitenland (we verzwijgen bewust haar naam) te voet De Vlamme opgaan. Niet door pech, maar omdat ze niet de kracht had om een helling van 10% op te fietsen. In Bambrugge zagen we een Israëlische lossen na minder dan 5 km. Ze was nog juniore. Men kan zich de vraag stellen welk nut haar deelname had: zo leer je niks bij en word je wellicht eerder gedemotiveerd.
Maar vooral: de plaatselijke wegen die voor zo’n nationale wedstrijden worden uitgekozen, zijn totaal ongeschikt voor dergelijk groot peloton. De organisatoren in Bambrugge hadden dan wel de Boplan-beschermingspaaltjes aan de kant van de weg voorzien, op sommige plekken waren de wegen geen 2 meter breed. UCI-veiligheidsvoorschriften gelden niet, geen signalisatie met gele vlaggen, geen Veloviewer die de gevaarlijke plekken vooraf aanduidt, geen veiligheidsbriefings vooraf,…. Logisch gevolg: de wedstrijd werd ontsierd door een aantal valpartijen. Gelukkig – voor zover wij vernamen – zonder al te veel erg.
Zou de bond – Cycling Vlaanderen, Belgian Cycling of UCI – niet best dringend ingrijpen? Moet er niet gewerkt worden met een inschrijvingsstop? Of vermijden dat individuele juniores fietsen met WorldTour-ploegen? Misschien moeten de verschillende categorieën apart starten. Of moet er een minimum wegbreedte gekoppeld worden aan het aantal deelnemers. Zeg het maar. Of wachten we tot er een dramatisch ongeval gebeurt?
