21 etappes, meer dan 3.000 km en een debuut op zijn 30e. Ayco Bastiaens van Soudal Quick-Step heeft met de Giro d’Italia zijn 1e Grote Ronde achter de rug. 3 weken afzien en euforie. Hij is hersteld, al was de overgang niet vanzelfsprekend. “Ik heb nu 5 dagen genoten van de rust thuis met het gezin, dat was voor mij ook wel even belangrijk.” Een gesprek over laatbloeiers, de wetten van de sprinttrein en vrede hebben met je stiel.


Late roeping
Op je 30e je debuut maken in een Grote Ronde lijkt niet vanzelfsprekend. Toch was het voor Bastiaens een logisch vervolg. “Het was vorig jaar eigenlijk al gevraagd door de ploeg om mij naar een Grote Ronde te sturen”, vertelt hij. Een val in Parijs-Roubaix gooide toen roet in het eten. “Maar ik ben toen lang uit geweest met een sleutelbeenbreuk en de naweeën daarvan. Toen paste het niet echt in de planning.” De ervaring van 3 weken onafgebroken koersen had hij niet, maar zorgen maakte hij zich niet. “Ik wist van de afgelopen rondes, zoals een Tirreno, dat ik mij in principe geen zorgen moest maken. Ik word altijd beter in een ronde.”
Die stijgende vormcurve kwam van pas in een Giro die voor zijn ploeg niet beter kon beginnen. Met de vroege ritzeges en de roze trui van kopman Paul Magnier kende het team een droomstart. “Dat is iets waar je als ploeg van droomt, denk ik”, geeft Bastiaens toe. “Maar het verwezenlijken is nog altijd iets anders.” Het succes bracht ook een gezonde spanning met zich mee. Fysiek kende hij persoonlijk 1 moeilijke periode. “Op dag 5 was ik gevallen in die afdaling. Toen heb ik toch wel een dag of 3 à 4 gestruggeld. Het was wel even een domper, maar ik wist dat ik daar kon mee blijven verder fietsen. Dat was voor mij misschien het enige lastige moment in Italië.”

Overlever
De rolverdeling binnen het team was duidelijk en Bastiaens kweet zich plichtsbewust van zijn taak. Zijn dagen in de Giro kenden een vast patroon, afhankelijk van het parcours. “Voor ons was het altijd uitkijken naar de sprintritten. Dan weet je dat het hard labeur gaat worden.” Zijn werk was even simpel als slopend. “In die ritten moest ik gewoon proberen zo lang mogelijk op kop te rijden. Soms positioneerde ik me nog tot in de laatste 10 km en dan is het natuurlijk aan de andere mannen.” Hij verwijst naar de geoliede lead-out met ploegmaats als Stuyven en Van den Bossche.
In het hooggebergte veranderde zijn rol van motor naar overlever. Een geheim is dat niet, stelt hij. “De bergritten, dat is voor onze ploeg en ook voor mezelf altijd overleven.” Toch verliep dat relatief vlot. “Iedereen weet dat ik voor mijn gestalte relatief goed bergop rij. Ik weet dat er in een Grote Ronde meerdere sprinters zijn die het misschien nog iets moeilijker hebben dan ikzelf. Ik kon op mijn gemak overleven.” De vraag of hij nu pas een ‘echte coureur’ is, na het rijden van een Grote Ronde, wuift hij weg. “Ik vind dat overroepen. Er zijn genoeg echte coureurs die nooit een ronde van 3 weken hebben gereden.”

Voldoening
Wat de Giro hem op lange termijn zal bijbrengen, moet nog blijken. “Het is wel iets waar je normaal sterker zou moeten uitkomen. Ik hoop dat voor mezelf dan ook wel”, hoopt Bastiaens. “Het is sowieso een ander gegeven. Het is voor mezelf sowieso een meerwaarde geweest, met de sfeer en alles wat erbij komt kijken. Ik hoop dat het me ook conditioneel en als persoon nog iets sterker maakt.” De komende weken staan alweer volgepland. Een last-minute oproep voor Circuit Franco-Belge, gevolgd door de Baloise Belgium Tour en het BK. Daarna volgt een rustperiode. “In juli heb ik een maandje geen competitie. Lekker thuis met de kleine en misschien ene paar Touretappes meepikken waar de ploeg iets kan doen.”
Die kleine, een dochtertje van 8 maanden, verandert zijn leven. De toekomst op de fiets bekijkt hij met dezelfde nuchterheid. Grote persoonlijke ambities koestert hij niet. “Ik denk dat ik mijn rol en mijn positie gevonden heb in de ploeg. Ik hoop gewoon nog enkele jaren mee te kunnen op het hoogste niveau.” Hij is tevreden met wat hij doet en wat hij kan. “Ik ben 1 van de betere renners in het peloton in mijn job. En je moet vrede hebben met wat je goed kunt in het leven.” De veelgemaakte vergelijking met een ander werkpaard, zoals Tim Declercq, laat hem koud. “Ik vergelijk mij niet graag. Ik ben mezelf en wat er komt van appreciatie, dat is mooi. En wat niet komt, is voor mij ook even goed. Ik doe graag wat ik doe en daar haal ik mijn voldoening uit.”