Er zijn zo van die dagen waarop een mens verstandige keuzes maakt. En er zijn dagen waarop hij 3 keer dezelfde berg op fietst, helemaal vrijwillig nog wel. Ergens daartussen begint de grens tussen ambitie en waanzin te vervagen. En rest enkel nog de vraag wat er eerst breekt: de benen of het hoofd? Het antwoord viel in onze Cinglé du Ventoux.


Een Amerikaan en een Bretoen
De 1e kilometer zet de toon: de stilte heerst, de Ventoux is van ons alleen. Daarnet baanden we ons nog een weg tussen de marktkramers terwijl ze hun waren uitstalden in Malaucène. Wanneer we op het einde van onze dag terug zullen opdraaien, zal daar niets meer van te zien zijn. Dat toont dat er een dagtaak voor ons ligt. We starten voor de grote hitte, toch kleeft de warmte al aan de bomen vast.
Met nog 18 km voor de boeg vinden we voor het eerst gezelschap. We halen een zwaarbepakte Amerikaan in, die ons een deel van zijn bagage probeert te slijten. We bedanken vriendelijk, het wordt ongetwijfeld nog zwaar genoeg. Even later horen we terug enkel het geluid van de natuur die wakker wordt. Een heerlijke rust daalt over ons neer. We genieten in het besef dat het zware stuk van 3 km aan 10% ons opwacht.
In de verte ontwaren we plots de regenboogtrui: we twijfelen even of we het goed zien, maar naarmate we dichter komen, wordt hij steeds beter zichtbaar. Hebben we een wel heel begenadigde dag? Of rijdt daar niet de echte wereldkampioen? Helaas blijken dromen inderdaad bedrog, wel leidt het spelletje ons voldoende af tijdens de kilometers in de dubbele stijgingspercentages. De benen draaien beter dan verwacht, dat geeft de burger moed.
Op een kilometer van de top haalt een Bretoen ons in, die ook zijn Cinglé aflegt. We rijden even samen, maar laten hem gaan om ons niet op te blazen. Op de top voelen we ons thuiskomen: de blik op de laatste bochten vanuit Bédoin herken je uit de duizend. Lang blijven we echter niet hangen, vol ongeduld storten we ons de afdaling in. Het contrast met de rust van daarnet kan niet groter zijn. We zoeven voorbij een quasi onafgebroken stoet van fietsers, verspreid van de top tot de voet. Daartussen proberen auto’s en moto’s zich een weg naar boven te banen, wat af en toe voor hachelijke situaties zorgt.


Onzin in Sault
Na een espresso trekken we ons terug op gang. Wie zelf al naar boven reed, weet dat je de eerste 6 km uit Bédoin op de grote plaat kan afwerken. Tot de realiteit plots toeslaat na de bocht in St-Estève. Schildpadgewijs zetten we onze weg naar boven verder. We troosten ons met de gedachte dat we dan toch de koning van de schildpadden blijken. In zo’n massa kan iedereen zich binnen zijn categorie optrekken.
Ondanks de 35 km die we ondertussen al klommen, voelen we ons verrassend fris. We laten Chalet Reynard dan ook rechts liggen en trekken meteen verder door het maanlandschap. Nadat we Tom Simpson groeten in de laatste km, trekt het asfalt zich steiler omhoog en beginnen de benen te verzuren. We zitten toch een stuk minder fris dan we daarnet dachten. Die grimas stond gelukkig nog niet op ons gezicht toen de talloze fotografen ons op de gevoelige plaat vastlegden.
Waar een wil is, is een weg, denken we als we besluiten om voor de 3e beklimming te gaan. We weten al dat we het ons straks zullen beklagen, maar ook dat we desondanks een manier zullen vinden om de top opnieuw te bereiken. De afdaling naar Sault blijft maar duren. Dat herinneren we ons pijnlijk als de hitte bergop toeslaat en de benen luidkeels protesteren in de eerste 10 km van de klim. Wie nu durft beweren dat Sault gemakkelijk loopt tot aan Chalet Reynard, maakt zich maar beter snel uit de voeten. We hebben goed gegeten en gedronken, maar draaiden de laatste 2 maanden gewoon te weinig trainingskilometers voor deze onzin.


Een 8-jarige….
Er is echter geen weg terug, want de klim ligt tussen ons en onze verblijfplaats. Nu onze benen het bijna begeven, mag ons hoofd zich hier bewijzen. We kappen de klim in stukken. We focussen ons niet op de resterende kilometers, maar tellen de meters op die we al aflegden van de voet.
Uiteindelijk moeten we toch een paar minuten stoppen om ons te herbronnen. Om het nog erger te maken, haalt de 8-jarige die we daarnet voorbijreden ons opnieuw in. Plots lijkt het alsof een hogere macht zich om ons bekommert: de wind steekt op en blaast koelere lucht. Maar we putten moed en vinden plots iets dat op een ritme lijkt. Verrassend genoeg gaat de tocht vanuit Chalet Reynard ons zelfs beter af dan de 1e keer. Een levensles op de Ventoux: wanneer het niet meer lukt, lukt het blijkbaar toch. Het slotstuk voelt als de ultieme beloning: iedereen is al lang weg, we hebben de reus terug voor ons alleen.

