Het draaiende houden van een jeugdploeg in de VS is een logistieke en financiële puzzel van jewelste. Roger Aspholm, de oprichter van Finkraft Junior Cycling, doet het echter met een duidelijke missie. Hij wil de snelste Amerikaanse talenten naar Europa brengen om daar prof te worden, of ze anders in Amerika aan een studiebeurs helpen. De afgelopen jaren lukte dat met AJ August en David Thompson, en ook deze winter moet dat lukken. De inspanningen allemaal waard?


Burn-out voorkomen
Finkraft is de afgelopen jaren uitgegroeid tot misschien wel de beste ploeg in het Amerikaanse juniorencircuit, maar begon in 2006 aanvankelijk als een mastersteam. “We hebben de junioren pas in 2015 toegevoegd, toen mijn dochter Finley die categorie bereikte”, blikt teambaas Aspholm terug. Hoewel Finley inmiddels op universiteitsniveau koerst, hield Roger het juniorenteam draaiende. “We hebben nooit meer dan 10 renners gehad, en dit seizoen zijn het er 7. Tussen de 6 en 8 is voor mij de ideale teamgrootte. We hebben dit jaar alleen jongens, maar dat is geen bewuste keuze geweest. Het was simpelweg niet mogelijk om meerdere meiden te vinden die op hoog niveau bij elkaar reden. Het belangrijkste doel voor mij is om kansen te creëren voor renners die een hoog niveau aantikken. Daarbij is het cruciaal dat ze dicht bij elkaar liggen qua niveau, zodat ze elkaar omhoog tillen door samen te rijden.”
Die kleinschaligheid stelt Aspholm in staat om de renners en rensters heel persoonlijk te trainen. “Het grote voordeel van een renner zelf coachen, is dat je weet wat ze het hele jaar door doen, niet alleen tijdens het crossseizoen”, legt Aspholm uit. “Dat maakt het voor mij makkelijker om hun veldritseizoen in te plannen en hun trainingsschema’s aan te passen. Omdat al onze renners ook op de weg of mountainbike koersen, kan ik ons wedstrijdschema afstemmen op hun behoeften en zo een burn-out voorkomen.”
Financiële en logistieke obstakels blijven echter een constante zorg voor de ploeg. “Het is ontzettend duur om in de VS te crossen”, verzucht hij. “De afstanden zijn enorm en er zijn extra kosten voor ploegententen en inschrijvingen die we in Europa niet kennen. Als je al je geld aan Amerikaanse veldritten besteedt, houd je niets over voor Europa. Vorig jaar heb ik in het binnenlandse seizoen van september tot december zo’n 160 uur gereden. Ik weet niet precies hoeveel ik kwijt was aan benzine, maar dat zal dit jaar ruim anderhalf keer zoveel zijn doordat die prijzen door het dak zijn gegaan. Al met al was ik 35 dagen onderweg in de VS, en dan reken ik de 2 periodes in Europa niet eens mee.”


Jacob Hines 6e in Hofstade
Ondanks al die binnenlandse reiskilometers is de Amerikaanse kalender voor Aspholm absoluut geen einddoel. “De uitslagen in de VS maken me eigenlijk niet zo heel veel uit”, bekent hij eerlijk. “Die koersen zijn er puur om uiteindelijk een resultaat te halen in Europa. We rijden ze omdat het moet, anders kan je niet voor een Wereldbeker geselecteerd worden. Als je te veel in de VS koerst, ben je uiteindelijk vermoeid als het tijd is voor Europa. Een goed Europees resultaat betekent overigens niet dat je moet winnen, een top 10-plaats is voor mij al een enorme prestatie.”
Aspholm is stellig over de noodzaak van de oversteek. “Als je alleen in de VS koerst, blijf je stilstaan”, legt hij zijn visie uit. “Je crosst elk weekend tegen dezelfde renners en het niveau in de breedte is lang niet zo hoog als in Europa. Wie de ambitie heeft om Wereldbekers of het WK te rijden, heeft niet genoeg aan Amerikaanse crossen. Je kán de Europese wedstrijden niet overslaan als je wil presteren.”
Een perfect voorbeeld van die Europese leercurve is de jonge Jacob Hines, die vorig jaar liet zien wat hij waard was tijdens de Kerstperiode. “Voor een Amerikaanse junior is het een 2-jarig proces. Het is voor een 1e jaars vooral belangrijk om ervaring op te doen”, aldus Aspholm. “Voor Jacob was het allerbelangrijkste dat hij aan zichzelf bewees dat hij het kon. Als je altijd blijft twijfelen of je het wel in je hebt, is het heel moeilijk om de volgende stap te zetten. Door die 6e plek in Hofstade en zijn goede wedstrijd in Diegem, kan hij met veel meer zelfvertrouwen aan zijn 2e jaar beginnen.”


AJ August op de Koppenberg
Alle financiële kopzorgen en eindeloze uren op de snelweg verdwijnen naar de achtergrond wanneer Aspholm kijkt naar de talenten die Finkraft heeft voortgebracht. “Mijn 2 meest trotse momenten waren absoluut toen AJ August won op de Koppenberg, en de 2e plaats van David Thompson in Troyes”, glundert de teambaas. “Ik heb 2 vrijwel identieke foto’s waarop ik naast ze sta na het podium. Natuurlijk hebben we meerdere Amerikaanse titels gepakt, maar die 2 dagen in Europa waren echt onze grootste prestaties.”
Elke donatie, elk vliegticket en elke training dient uiteindelijk maar 1 doel voor de tieners onder Aspholms hoede. “Het doel is dat ze een profcontract bemachtigen, dat staat op nummer 1”, stelt hij resoluut vast. “Om dat te bereiken, proberen we alles professioneel aan te pakken. We hebben bijvoorbeeld een vaste mecanicien die we betalen, want als je mensen niet betaalt, heb je nooit een consistente begeleiding. Helaas kunnen we reiskosten van onze renners niet bekostigen, maar door bij vrienden en kennissen van elkaar te verblijven, drukken we de kosten rond de wedstrijden wel. Dat is in mijn optiek ook vaak beter dan een hotel, omdat je dan zelf kan bepalen wat je eet.”
Mocht de droom van een profcontract in Europa niet direct werkelijkheid worden, dan is de ploeg alsnog geslaagd als er deuren openen. “Als het niet lukt om prof te worden, dan is een studiebeurs verdienen bij een Amerikaanse universiteit een fantastisch alternatief”, besluit Aspholm. “En het hoeft echt geen profcontract in het veldrijden te zijn. Als een renner door een goede uitslag in de cross wordt opgepikt door een wegploeg, is mijn doel net zo goed bereikt. Het gaat erom een pad naar een profcarrière te bieden. Ze daar een stukje mee op weg brengen, is waarom ik dit blijf doen.”