Het lijkt erg simpel, tot je het zelfs eens probeert: een bidon aangeven tijdens de koers. Met deze warme dagen is bevoorrading met drank nochtans een must in elke wedstrijd die meer dan een uur duurt. Want ga er maar van uit dat de doorsnee renner elk half uur een bidon van een halve liter dorstlesser achterover slaat. Deze bijdrage is er dus voor elke beginnende soigneur of eenieder die zich wel eens afvraagt hoe het precies moet.


Goede voorbereiding is het halve werk
We gingen te rade bij Raf Eyselbergs, mekanieker en soigneur bij het Belgische clubteam Velopro-EGS Group. Eyselbergs draait al een paar jaar mee in de koers. “Een goeie voorbereiding is eigenlijk al het halve werk”, vertelt de Kempenaar. “Voor de wedstrijd maken we de drinkbussen klaar. We vragen de rensters wat ze willen om te starten: water of isotone drank. En als het dit laatste moet zijn, vragen we ook naar welke dosering ze willen. 2 schepjes van 30 gram is klassiek, maar rensters met een sterkere maag willen al eens iets meer.”
“Onlangs hadden we een renster die graag kopieerde wat een teamgenote deed. En dus wilde ze, net als haar, ook een hogere verhouding isotoon poeder. Gevolg: de hele wedstrijd buikkrampen! Het is geen goed idee om in een wedstrijd wat te gaan improviseren met drank of voeding. Best test je de dingen uit op training. Dat had onze sponsor W-cup, leverancier van drankpoeder en voedingssupplementen, nochtans heel sterk benadrukt tijdens een infosessie met onze rensters toen we in februari op trainingskamp in Denia waren.”
Maar goed, terug naar de voorbereiding op de bevoorrading. “Tijdens het teamoverleg dat we telkens ongeveer een uurtje voor de start houden, wordt er ook aandacht besteed aan de bevoorrading. Waar bevindt zich die, vanaf wanneer en tot wanneer mag je bevoorraden, wie staat er met water en wie met isotone,… Want inderdaad, wij proberen toch telkens in de bevoorradingszone met 2 man van de ploeg te staan. Iemand met water en iemand met isotone drank. De isotone drank doen we in de doorzichtige drinkbussen van W-cup, zo kunnen de rensters meteen ook zien dat het inderdaad geen gewoon water is. Het water doen we in de zwarte of witte bidons.”

Techniek
“In de bevoorradingszone zoeken we dan het meest geschikte plekje. Bevoorrading moet verplicht aan de rechterkant van de weg”, vervolgt Eyselbergs. “Een clevere organisator zal de feed zone in principe voorzien op een rechte weg en een plek waar de rensters geen al te hoge snelheid hebben. Best dus op een weg die minstens licht oploopt. In Tsjechië was er een bevoorradingszone van de voet tot de top van een klim van 2 km. Dan sta je best helemaal op de top. Tijdens de klim moeten de rensters namelijk hun handen aan hun stuur houden om eraan te trekken. Boven op de top ploffen ze terug in het zadel, is de snelheid laag en kunnen ze makkelijk de drinkbus aannemen.”
“In de bevoorradingszone heb ik altijd een hesje aan met de kleuren en huisstijl van de ploeg, waardoor de rensters me van ver zien staan. Als de rensters er aan komen, doe ik even een stapje naar voor, hou ik de bus hoog, zwaai er eventueel even mee, zodat onze rensters exact zien waar ik sta.”
Eyselbergs voert de spanning op. “En dan komt het moment. De rensters naderen. Het is zaak om niet te bewegen, zeker niet mee te lopen want dan gaat het gegarandeerd fout. Je zou schokkende bewegingen maken waardoor de renster de bidon niet te pakken krijgt. En in het slechtste geval bots je tegen een collega. Ik hou de bidon met mijn rechterhand op ongeveer schouderhoogte van de gemiddelde renster. Ik hou mijn vingertoppen rond de ‘kraag’ van de bidon, dat is een kleine vernauwing net onder de schroefdop. Het topje heb ik omhooggetrokken zodat bij de knijpende beweging van de rensterhand, de bidon wat meegeeft. Tegenwoordig hebben we ook iets soepeler bidons in vergelijking met vroeger. Dat maakt het toch een stuk makkelijker om aan te geven”, herinnert Eyselbergs zich.

Natuurlijke schokdemper
“Ik focus op de rechterkant van de groep. Voor mij dus links, want ik kijk ze tegemoet. Ik probeer oogcontact te maken met mijn renster. Steekt die haar hand uit, dan weet ik dat ze voor een drinkbus komt. Zodra ik voel dat ze contact maakt met de bidon, laat ik los en neem ik meteen een volgende bus voor een volgende renster. Ik houd altijd een 3-tal bidons tussen mijn linkerarm en mijn lichaam gedrukt, zo kan ik snel een volgende bus nemen. Ik ben telkens toch blij en fier als het mij is gelukt. Hoe meer ervaring je opbouwt, hoe makkelijker het wordt.”
“De eerste keren mislukte het zowat de helft van de tijd. Dan voelde ik me slecht want dan wist ik dat de renster in kwestie dorst zou krijgen en daardoor minder kan presteren. Maar intussen lukt het me meestal wel, zeker als de renster zelf ook de nodige ervaring heeft. Het is bijvoorbeeld belangrijk als renster om de bidon niet met gestrekte arm aan te nemen, maar met de elleboog in een kleine hoek. Die werkt dan als een natuurlijke schokdemper. Zo zie je maar: om succesvol een bidon aan te geven, moeten zowel de renster als de soigneur bij de pinken zijn.”