Onze redacteur waagde zich aan de Marmotte – en dat liep maar net goed af

10 november 2016. In een mix van interne impuls en externe stimulans neem ik plots een beslissing waar ik 5 jaar geleden nooit aan gedacht zou hebben. “Ik ga de Marmotte rijden, in juli 2017”, spookte door mijn hoofd. “De wat?”, vroeg mijn vrouw nietsvermoedend. “De Marmotte, de wereldvermaarde Alpenklassieker voor wielertoeristen. 174 kilometer tegen jezelf en 4 Alpencols vechten”, zei ik. “Hoeveel tijd krijg je daarvoor?”, vroeg ze. “Oh, op een dag, tussen licht en donker moet het gefikst zijn”. De wijsvinger ging naar haar hoofd en ook mijn omgeving dacht dat ik mijn leven beu was.

De Marmotte dus. Een trip over de Glandon, de Télégraphe, de Galibier en als toetje nog de 21 bochten van Alpe d’Huez, waar de aankomstlijn is getrokken. Als beginnend wielertoerist – zowat 15 jaar geleden – werd ik al moe van een verkeersdrempel en een brug over het kanaal. Puffen en zwoegen, de rol lossen als het wegdek amper 1% omhoog keek. Dat veranderde als er kasseien op de weg lagen: knallen als een halve wilde, midden over het porfier, shaken en denderen… en het ook nog leuk vinden. In die omstandigheden leerde ik – goed getraind deze keer – de kinderkopjes van de Ronde van Vlaanderen kennen, maar ook de Vlaamse Ardennen. “Tiens, die knoertige heuvels hebben toch wel hun charme”, bedacht ik me. Even doortrekken en boven de hartslag weer kalmeren.

De heuvels bevielen me en meteen richtte het vizier zich op de Zuid-Nederlandse en Ardense beklimmingen. Wat trainen op het molentje, wekelijks een keertje extra op de spinbike, de conditie wat verder aanscherpen en hop… elk hellend vlak moest eraan geloven. En het moest nog verder… én nog hoger. De Vogezen doemden op maar verzadigden nog niet helemaal. Daar waar de Tour geschiedenis schrijft, daar moest ik zijn: de Alpen. En dan kwam die 10e november 2016. De Marmotte – lang mentaal een gigantisch schrikbeeld van onmogelijkheid – werd een realistische droom. “Zou ik dat toch kunnen?” “Maar ja, waarom niet”, beweerden nog 4 andere gekken uit mijn dorp: Jo, Steven, Koen en Johan. Voilà, de inschrijving gebeurde in 1 moeite en de trainingsarbeid van 8 maanden kon beginnen.

“Op 1 voorwaarde”, zei mijn vrouw. “Dat je je professioneel laat begeleiden en geen zotte dingen doet.” Ik zocht Kurt op, sportcoach, en kreeg wekelijks een aangepast trainingsschema van uren, wattages, versnellingen en recuperatie aangereikt. 5.000 kilometer zou ik op de vooravond van de Marmotte op de teller hebben staan, al fietsend, mountainbikend en spinbikend. En zo geschiedde.

2 juli 2017. In het centrum van Bourg d’Oisan, hartje Alpen, staat een renner met klamme handjes en een bang hartje aan de start van de Marmotte. Te midden van 8.000 à 9.000 deelnemers bedenk ik me om 8.00u ’s morgens dat ik net zo goed ook thuis in mijn bed had kunnen liggen. “Nee, ik moest zo nodig die Marmotte rijden, eigen schuld, dikke bult”. Met zelfverwijt en laattijdig beklag raak je geen berg op en dus vermannen we onszelf. Naast me gaat een Spanjaard – zowat alle nationaliteiten zijn Marmotte-zot – van pure miserie de bosjes in om een flink pak ballast te lossen. Zijn vrienden gieren zich te pletter, de geur maakt vertrekken iets gemakkelijker. De massa zet zich in beweging, flink aangemoedigd door een enkele joelende dorpsbewoner.

Na een 10-tal kilometer kruipt de Glandon onder de wielen, een brok van 24 kilometer. Uit natuurlijke schrik voor wat gaat komen temporiseer ik meteen en zoek ik een ritme onder mijn limiet. Dat gaat goed, ik kan een hele rist Marmotters achterlaten. Mijn fietsmaten zijn er op dat moment al vandoor en ik zal ze pas heel laat weer terugzien. Er passeren me renners die zo zwaar hijgen, dat ze de lucht uit hun tenen moeten halen. “Onmogelijk dat die straks aankomen”, sus ik mezelf. “Hoe zit het met mijn eigen hartslag en ademhaling? Oké, lekker strak, alles onder controle, verder.” De top nadert als het einde van een slechte film: niet. Het wordt mistig en koud. Op enkele honderden meters van de top staat Evert, een fijne kerel uit Meeuwen, die we in de Alpen hebben leren kennen. Hij heeft een hele week lang deelnemers begeleid met Tour de Vacances, een fietsorganisatie. Hij reikt een verfrissende cola en een deugddoende ruggenduw aan. Ik kruis de top en voel me nog relatief fris. De afdaling is gevaarlijk bochtig en koud, maar hoe dieper je zakt, hoe warmer het wordt. Het broodnodige winterjasje op de top wordt een bron van zweetellende in de vallei en verdwijnt in de achterzak. De benen voelen weer top.

De volgende uitdaging is de Télégraphe, maar eerst moet ik de vallei nog overbruggen door een goed groepje te zoeken dat mijn tempo rijdt. Ik laat een groepje rijden en wacht… om vast te stellen dat ik uiteindelijk 50 man achter me heb hangen. “Uitzakken jongen, jij moet hier niet de kop trekken”, zeg ik zowaar hardop en de meute dendert voorbij.

De Télégraphe loopt lekker, althans de 1e kilometers. Vlotjes glijd ik omhoog, maar daarna stokt het ritme. Ik weet eerst niet goed waarom, maar glijden wordt een beetje lijden en alle gepasseerden worden nu voor mij passanten. Ik moet ze 1 voor 1 laten voorgaan. “Heb ik nu op mijn adem getrapt? Neen, ademhaling en hartslag zijn nog altijd oké… Wat is het dan?” Mijn maag en darmen beginnen stilaan op te spelen. Er rammelt en dwarrelt van alles door mijn spijsverteringsstelsel en meteen weet ik wat er scheelt. “Die verdomde gelletjes, energierepen, sportdrank”, vloek ik. Als wielertoerist moet je ze wel eten, want je hebt nood aan suikers, zouten, enz. Maar wanneer heb je daarvan te veel? Of te weinig? Of genoeg? Ik weet dat niet en ik voel dat ook niet. “Je moet eten om de honger voor te zijn”, is het aloude gezegde. Goed, maar op een bepaald moment voel je je als een opgevulde kerstkalkoen, bang om toch maar geen hongerklop te krijgen. Een hongerklop had ik allerminst. Ik had het gevoel dat de repen de plaats van mijn longen en spraakorgaan hadden ingenomen. Ook in de onderste darmregionen was het oorlog. Op de top van de Télégraphe staat een cafeetje. En in dat cafeetje was een wc’tje. Ontluchting en opluchting. Meer moet er niet gezegd.

Eekhoorngewijs

Ik trek verder naar Valloire, de vallei tussen de Télégraphe en de Galibier. In die vallei eet ik maar weer stevig. Geen honger, maar eten jongens! De Galibier is het monster van de Alpen, klimmen naar 2.600 meter hoogte. Met herwonnen moed pak ik de eerste lange stroken aan en het gaat wonderwel super. In de eerste 8 kilometer passeer ik honderden puffende renners, die er duidelijk veel erger aan toe zijn dan ik. Vanaf Plan Lachat knikt de Galibier het percentage een stuk hoger. En nog blijf ik pompen. “Het komt goed”, zeg ik nog. Terwijl ik het durf denken, overkomt me hetzelfde als de col ervoor: darmlast. Opnieuw die verdomde energietoestanden die me de das omdoen. Je kan daar op trainen in de maanden ervoor, maar tijd heeft niemand te veel. Mijn lichaam weet met andere woorden niet wat het meemaakt en sputtert – net niet spettert – tegen. Nog 6 kilometer gas geven, maar dat is niet de geschikte terminologie op dit moment. Het worden lange kilometers en ik denk dat ik door die honderden van straks weer opnieuw voorbijgestoken wordt. Verdomme toch… Op een kilometer van de top staat er een vervallen – en voor alle duidelijkheid: onbewoonde –  chalet. Ik acht mijn moment en plaats gekomen, duik achter de gevel en plaats mijn merkteken. Ontluchting, opluchting… maar ondertussen ook veel verzuchting. “Hoe ga ik in godsnaam nog Alpe d’Huez bedwingen in deze omstandigheden?” Enfin, we kunnen niet anders. Als fietser weet je 1 ding met zekerheid: je moet blijven trappen, want anders kom je niet aan de finish. Logisch, maar deze zekerheid geeft je eigenlijk geen keuze. Ik moet verder. Nu, opgeven staat nog altijd in mijn woordenboek, maar heel fijn vind ik het toch niet meer, op dit moment.

In de buurt staat ook Robbert, de baas van Evert van Tour de Vancances. Ook hij staat zijn gasten op te wachten om ze met raad en daad, voeding en drank bij te staan. Hij herkent me en biedt me zoutnootjes aan om het zoutpeil in mijn lichaam te onderhouden, heel belangrijk en zeer nobel. Ik wil weigeren wegens mijn gastronomische voorgeschiedenis van die dag, maar kan de raad van een expert toch niet in de wind slaan. Stel je toch eens voor dat ik de resterende kilometers niet kan afmalen door zoutgebrek. Ik vouw mijn rillende handen open – op de top van de Galibier was het amper 2 graden, ontvang een kluit nootjes, prop ze onhandig en integraal in mijn mond, spring op mijn fiets en rijd verder met nog 1 kilometer klimwerk op de Galibier voor de boeg. Op een gewone zaterdagavond voor de televisie heb ik geen moeite om deze rommel te verteren, maar mijn lichaam protesteert hevig. Wat ik ook doe, ik krijg de gortdroge nootjes – waar mijn speeksel ondertussen al alle zout van heeft afgeschilferd en verwerkt – niet doorgeslikt. Ik verstop ze een tijdje eekhoorngewijs in de wangzakken maar kan amper nog ademen. Hop, primitiviteit neemt weer de bovenhand. Zonder na te denken spuw ik al rijdend de brokken nootjes uit. Het achteropliggende verkeer moet gedacht hebben dat het toch wel heel erg slecht met mij ging. Eerlijk? Op dat moment was het ook zeer zwaar. Die laatste kilometer van de Galibier is a bitch: huiveren van de koude, harken als de beste tuinman en ondertussen strijd leveren met je spijsvertering. Ik heb de Galibier leren kennen, maar hij mij ook!

Gesprek met mezelf

Tussen de top van Galibier en de voet van Alpe d’Huez liggen maar liefst 50 kilometer afdaling. In gestrekte draf zoef ik naar beneden, aan de zonkant dan nog. Het wordt aangenaam warm – niet van de inspanning deze keer –  en de ‘moral’ staat weer in het zenit. Maag, darmen en benen zijn rustig en ik krijg zowaar opnieuw zin om een nieuwe col te beklimmen. De recuperatie vlot dus wel, ondanks alles. De Alp dus, het zicht op de meet. Nog 15 kilometer de laatste restjes energie(repen!) aanspreken.

Het begint opnieuw goed, maar de Alp is meteen oersteil. Hij snijdt de benen af. Mijn computertje heeft ondertussen de geest gegeven met een platte batterij dus ik kan niet bevestigen dat ik amper aan 5 kilometer per uur omhoog kruip. Zo voelt het althans. En nog steek ik zielsgenoten voorbij. Die moeten dan zowat 3 kilometer per uur gereden hebben. Hogerop krijg ik een goed zicht naar beneden en overal wurmt het nog van de vloekende lijken die zich naar de top hijsen. Gigantisch veel renners rijden er nog. Ik ben dus op enkele duizenden na niet de laatste, hoewel mijn gevoel een ander resultaat aangeeft. In iedere bocht zitten renners op de muurtjes in de lucht te turen, zich afvragend of ze werkelijk nog gaan doorfietsen. Gek, maar het geeft een egoïstische vorm van moed. “Blijkbaar ben ik niet de enige sukkelaar. De hele berg hangt er vol van!” Buiten de geurige incidenten op de Télégraphe en de Galibier en uiteraard de bevoorradingsposten, ben ik nergens afgestapt. Ondertussen was ik verzeild geraakt in een gesprek met mezelf. Hardop nog wel, alsof er iemand naast me reed. “Ben je nu zo moe dat je moet afstappen? Nee, eigenlijk niet! Alleen vind ik dit getreuzel en gesleep niet meer fijn en ik wou dat ik boven was… Oké, zaag dan niet en trap verder. Nog 10 bochten te gaan. Komaan!”

Dankbare herinnering

Tussen bocht 7 en 6 – de bochten tellen af naar de top – staat Evert daar weer voor zijn gasten van Tour de Vacances, maar ook voor mij en mijn fietsmaten. Opnieuw cola en een flinke duw en daar gaan we weer. Even later rijdt hij naast me. We zijn allebei koersgek en springen van het ene onderwerp naar het andere. Praten – al is het niet veel – lukt nog wel. Vooraleer ik het besef zit ik aan bocht 1 op een goede kilometer van de top. Evert heeft me erdoor geleid. En yes, daar rijd ik over de aankomst! Johan, Steven, Koen en Jo zijn ondertussen – in die volgorde – al een 2-tal uren aangekomen. Geen leedvermaak of zo. Neen, dolle vreugde eigenlijk dat iedereen het veilig en wel gered heeft. Ze duwen me een frisse pint onder de neus die in 1 gulp verdwijnt. Geen lichamelijk protest. Eindelijk geen energizers meer. Ik krijg zowaar een emotionele krop in de keel en kan even niet meer praten. Ik ben nochtans redelijk nuchter in die zaken maar vermoeidheid, blijdschap, ijle lucht en een dag van darmproblemen nemen blijkbaar even over in een moeilijk momentje. Dat is van korte duur, want iedereen heeft zijn verhaal van de dag. Leuk om naar te luisteren!

We hebben het gehaald en achteraf ook goed verteerd. De volgende dagen was er van stijfheid of vermoeidheid nauwelijks sprake, de recuperatie verliep voortreffelijk. Of het beter en sneller had gekund? Zeker wel, want dat ongetrainde gastro-intestinale stelsel heeft zwaar afgezien… en daardoor ik ook. Maar een topwielrenner is er aan mij ook niet verloren gegaan, eerlijk gezegd. Ik klim graag maar deze klip was voor mij net op het randje van het haalbare. Het staat op mijn palmares, maar of ik nog terugkom naar de Marmotte, durf ik hardop te betwijfelen. Het mooie Marmotte-wielertruitje dat ik mezelf cadeau deed is wel een dankbare herinnering.

In this article