Het knotsgekke verhaal van Berten Melkpulle, coureur in bijberoep

Koersen in voor- en vooral tegenspoed.
Een kleine uiteenzetting door Berten Melkpulle, coureur in bijberoep.

Albert Pauwels is de naam. Berten voor de vrienden. Ik ben geboren en getogen aan ’t zèètje. Oostende om meer precies te zien zijn. Als jonge gast droomde ik van de koers. Veel heb ik niet gewonnen, dat niet. Maar eigenlijk mag ik wel content zijn, nu ik terugkijk op mijn carrière. Ik heb kunnen koersen tegen grote mannen als Briek Schotte. Allé, dat denk ik toch. Ik weet het eigenlijk niet meer zo goed. En 1 keer mocht ik zelfs mee naar Italië, naar de Ronde van Emilië. Dat weet ik wel zeker. Niet alleman kan dat zeggen, é. En dat voor een simpele melkboer van aan de kust. Nu ik er over begin, krijg ik weer goesting om het allemaal nog een keer te vertellen. Voor de laatste keer.

Ik ben geboren in 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog. Tjah, wat kan ne mens in tijden van onzekerheid allemaal doen? Zich bezighouden met elkaar, dat vooral. Ik versta dat. Maar lang hebben mijn ouders niet kunnen genieten van mij. Ze zijn allebei vroeg gestorven. Ik ben eigenlijk opgegroeid in een weeshuis. Veel kreeg ik daar niet te eten. Niet verwonderlijk dat ik toen een mager, ondervoed ventje was. Het is pas op het moment dat ik als knecht kon gaan werken bij een bakker, eerst in Torhout en later in Oostende, dat ik begon te groeien. Met een steekkar stapte ik door de straten, om brood te leveren in café’s en hotels in de streek.

In die dagen waren er ook al veel toeristen aan de zee. Ik mocht al snel met de bakfiets brood rondbrengen, dat scheelde veel in tijd. Het is op die manier dat ik een grote transfer heb gerealiseerd. Ik weet het nog goed, het was achter de mis bij de paters dat ik werd aangesproken door een melkboer. Hij had mij bezig gezien op mijn velo en vroeg of ik niet voor hem wilde gaan werken. Hij gaf me 300 frank in de week, 100 frank meer dan bij de bakker! Ik heb niet lang moeten nadenken. Zolang ik maar kon fietsen. En het is ook dankzij die melkboer dat het allemaal is begonnen voor mij. Op koersgebied dan toch.

De velowinkel van Staf

Juist tegenover de melkboer waar ik werkte, was de fietsenwinkel van Staf Van Slembrouck, die nog etappes in de Tour had gewonnen en in die tijd nog altijd coureur was. En dat was eigenlijk zoveel als de kat bij de melk zetten… Het was Staf die mijn kop heeft zot gemaakt. Door hem begon ik al snel te koersen. In mijn eerste wedstrijd moest ik al na 2 kilometer lossen, dat weet ik nog heel goed. Uiteindelijk finishte ik met 45 minuten achterstand. Maar ik ben toch aangekomen. En dat is eigenlijk wat telt. Het is pas na 2 jaar van doorbijten dat het beter begon te gaan. Ik kon toen al af en toe een keer met de kop van de koers mee.

Ik heb er veel voor gedaan. Achter mijn werk nog naar de Staf, om in zijn winkel nog een paar uurtjes op de rollen te trainen in de winter. Begin de jaren ’30 kreeg ik een licentie bij de Belgische Wielerbond en was ik officieel coureur. En daar kon ik relatief snel mee met de besten. Ik won toen ook een koers, over 45 kilometer, met 15 coureurs in totaal. Ik heb nog altijd het artikel uit de krant in mijn portefeuille. Content dat ik was! Het was alsof ik een etappe in de Tour had gewonnen, dat gevoel had ik.

De sossen

De Tour heb ik niet gereden, maar wel de Ronde van België. Het was eigenlijk niet de gewone ronde, nee, het was de ‘Roode Ronde van België’. Georganiseerd door de sossen! In 1933 deden ze dat al voor de 6e keer. Het kon mij allemaal niet schelen. Rood, geel of groen. Als ik maar kon fietsen en koersen. Ik was er al van in de 1e rit bij. We vertrokken in Vilvoorde, met 78 renners in totaal. Na 20 km wilde ik al tonen dat ik in vorm was. Samen met nog een paar coureurs wisten we te ontsnappen. Maar ver zijn we niet geraakt. De 2e poging was wel raak. Met 8 man waren we weg. In Maldegem kreeg ik een hongerklop en heb ik moeten lossen. Ik kwam uiteindelijk als 41e over de meet. Ruim een kwartier na de winnaar.

In de 3e rit was er een verschrikkelijk ongeval gebeurd. Een zekere Conard, die de Roode Ronde al een keer had gewonnen, botste er tegen een auto en was op slag dood. Dat ongeval stond daags nadien wel een beetje raar in de gazet beschreven. Als titel stond er ‘De Meersman wint den derden rit maar De Greef handhaaft zich aan de leiding’. En daaronder: ‘Een schaduwzijde: Conard verongelukt’. Het was meer dan een schaduwzijde. Echt, zoiets wil je niet meemaken, ik kan het u verzekeren. Nu goed, ‘the show must go on’, zeker? Het was niet anders in de Roode Ronde. Voor de rest was het vooral afzien. In het eindklassement ben ik uiteindelijk 24e geworden.

Berten ‘Melkpulle’

Ik heb dikwijls malchance gehad. Valpartijen, mijn ketting die op een cruciaal moment blokkeerde,… ik heb er nooit de moed bij verloren. Dat stond ook zo in de gazet. Dat ik “moedig ben en er altijd weer bovenop wil geraken”. En ik deed dat inderdaad. Sterker nog, mijn uitslagen waren tamelijk regelmatig, ondanks alles. Vaak in de voorste helft van het peloton. Ik wist zelfs een 2e keer te winnen, een etappe in de Roode Ronde. In welk jaar weet ik niet precies meer, ik denk dat het 1938 was. Nu, dat doet er eigenlijk niet toe.

In de 1e rit van die Ronde was ik goed mee, totdat ik weeral pech kreeg. 1 km voor de aankomst. Je houdt het niet voor mogelijk. Maar ik was dat al gewend. Een dag later heb ik mij kunnen revancheren. We waren met 4 weg, ergens in de Walen. Op 1 van die hellingen ben ik ontsnapt. Ik heb dat kunnen volhouden tot aan de streep. Eigenlijk was ik daar wel een beetje verbaasd over, dat mij dat gelukt was. Want al die andere mannen deden whiskey of andere sterke drank in hun bidon. Of pakten al eens een pilletje. Ik niet. 2 keer raden wat ik mijn pulle deed. Melk! Da’s zeker dat. Beter is er niet. Het duurde niet lang of ik had de bijnaam ‘Melkpulle’…

De Ronde van Emilië

Mijn schoonste jaren had ik als domestique voor Jan Laroye, ook van Oostende. Jan was een echte afwerker en ik was fier om voor hem te kunnen werken. Het is dankzij hem dat ik ook een keer in het buitenland heb kunnen koersen. In Italië dan nog wel. De Ronde van Emilië. Voor liefhebbers. In het voorjaar van 1946. Een prachtige tijd en streek om te koersen. Maar die Italianen waren wel een beetje voorgetrokken door de organisatoren. En niet zo’n klein beetje ook. Ze konden ongestraft efkes in de volgauto kruipen als het te lastig werd bergop, om dan aan de top weer uit te stappen en verder te koersen.

Of in volle sprint aan onze truitjes trekken. Terwijl onze kopman Laroye uitgesloten werd omdat hij na een lekke band probeerde terug te keren door te stayeren achter een camion. 2 maten en 2 gewichten, zeg ik u! En pech dat ik toen heb gehad. Gevallen in de 1e rit waardoor ik bijna een halfuur na de winnaar over de meet kwam. Wielbreuk in de 3e rit, te midden van de bergen. Bandbreuken in de 4e en laatste rit. In die laatste etappe heb ik zelfs een eindje te voet moeten gaan. Al mijn reservebanden waren op! Tot er een Italiaan passeerde die mij uit compassie een bandje gaf. En zo ben ik toch nog kunnen aankomen. Anders stond ik daar misschien nog, wie weet.

Met Briek in de kliniek

Heel mijn leven heb ik gedroomd om te kunnen koersen tegen de groten van die tijd. Tegen Briek Schotte, Gino Bartali of Rik Van Steenbergen. 1 keer heb ik tegen Briek gekoerst. Enfin, dat denk ik toch. Zeker weet ik het niet meer. En hij ook niet. In ieder geval is mijn droom toch een beetje werkelijkheid geworden. In 2004 moest ik opgenomen worden in de kliniek van Oostende. Iets aan mijn prostaat. En wie ligt daar in de kamer toen ik toekwam? Briek Schotte! Ongelooflijk maar waar. Ik ben daar beginnen vertellen tegen hem. Over de koers, over alles wat ik heb meegemaakt. En van die keer dat ik tegen hem heb gekoerst. Hij wist dat niet meer.

Nu, Briek zei niet veel. Hij was toen al 84 en ik 88. Briek had moeite om te ademen. Het ging gewoon niet goed om te praten voor hem. Op dat gebied had ik lengten voorsprong. Voor een keer. 5 dagen hebben we samen in de kliniek gelegen. Wij, 2 oude knarren samen. Het zijn de mooiste 5 dagen van mijn leven geworden. Mijn dochter heeft er gelukkig nog een foto van gemaakt. Zodat ik nog altijd kan kijken naar die foto. Eindelijk, na al die jaren zo dicht bij Briek. Het was wel niet in de koers, maar dat vond ik niet erg. Dat ik dat nog heb mogen meemaken. Ik geloof het nog altijd niet.

Met dank aan Ingrid Pauwels.
Fotomateriaal: Wielermuseum Roeselare – schenking familie Pauwels.

In this article