Na ons debuut in Parijs-Roubaix stond Luik-Bastenaken-Luik voor het 2e jaar op rij op ons programma. Roubaix en Luik combineren in hetzelfde voorjaar, voor een wielertoerist vormt dat geen probleem. In Roubaix leerden we dat we elke strook ook hoge wattages moesten rijden om er goed door te komen. Dat is ook hier bergop het geval, al duurt de inspanning telkens wat langer en speelt natuurlijk ook de zwaartekracht. Zonder overtollige kilo’s lukt dat perfect.


Start
Vorig jaar 2024 reden we de volle 255 km van Luik-Bastenaken-Luik. Met minder kilometers op de teller dit jaar kiezen we deze keer wijs voor de 163 km. Op die manier verkennen we frisser de finale van het oudste Monument. Vorig jaar schotelde het weer een temperatuur rond het vriespunt voor, met aanhoudende regen, hagel en zelfs sneeuwbuien. Dit jaar is Moeder Natuur ons beter gezind.
In het 1e uur hangen mistflarden over het Ardense landschap, alsof die het mysterie willen toevoegen dat bij een Monument hoort. Eerlijk: het Monumentgevoel bekruipt ons minder dan tijdens Parijs-Roubaix. Wellicht ligt het er aan dat de Ardennen bekend terrein zijn. Doorheen de rit horen we nochtans verschillende wereldtalen zoals Spaans, Engels en West-Vlaams.
We testen in het 1e kwartier een aantal groepjes uit, tot we bij een trio Britten terechtkomen. Een sympathiek doch bizar gezelschap. De 1e rijdt op een fiets en met kledij van 30 jaar terug, de 2e met het materiaal van de gemiddelde deelnemer en de 3e duwt zich vooruit op een peperdure fiets, uitgedost met aerodynamisch materiaal dat haast nog niet in de service-course van Team Visma | Lease-a-Bike te vinden is. De Britten moeten wellicht hun boot halen, ofwel maken ze er een missie van om het gros van de deelnemers als een metronoom 2 km per uur sneller voorbij te rijden. Bij de 1e klim van de dag – de Mur de Durbuy – blijkt 1 van hen op zijn adem te hebben getrapt.



Tussenstuk
Het tussenstuk voor de finale smelt zich samen in ons geheugen, dus schiet ons niet af als we hier de verkeerde helling opdiepen. De Ardense natuur bekoort ons, met de Côte de Niaster als hoogtepunt. Vele bochten doorheen de groene velden, veel dichter bij een Alpencol kom je in België niet.
We worden opgeschrikt door het gedrag van een – gelukkig beperkt – aantal fietsers. Vrachtwagens inhalen in hun dode hoek om het gemiddelde niet omlaag te laten gaan, veel woorden maken we daar niet vuil aan. Nog dwazer is het om in een blinde bocht over te steken op het verkeerde rijvak. Dat ging een paar keer maar net goed….
Wanneer we de laatste bevoorrading naderen, beseffen we dat we hier vorig jaar reeds meer dan 200 km in de benen hadden. Dan moest de laatste 50 km met het zwaartepunt aan hellingen nog beginnen. Het idee alleen al doet ons zuchten. Wat vreemd om te zeggen, maar waar we het vorig jaar normaal vonden om de finish te halen, groeit het respect tegenover onze toenmalige prestatie.


Finale
Aan de voet van La Redoute ligt de laatste bevoorrading. Eerst zalven en dan slaan, de organisatoren hebben het spreekwoord duidelijk verkeerd begrepen. Als we La Redoute opdraaien, doemt de snelweg op. Het voelt toch een beetje alsof die toeristische trekpleister die op Instagram zo mooi leek naast een fabrieksterrein blijkt te liggen. Niet getreurd, de campers links en rechts zorgen voor een fijne sfeer. Of we sneller gaan rijden door het ‘Dos Cervezas’ van Tom Waes dat door de boxen klinkt, laten we in het midden. La Redoute verloopt in trapjes. Door de opeenvolging van extreem steile en zachtere meters, kan je ontmoedigd raken. Maar we komen de klim goed door.
De volgende klim nemen we op het buitenblad. Op deze Côte de Cornement kan je wellicht niet wegrijden, maar je voorsprong wel uitbreiden of verliezen als je solo rijdt. Daarna krijgen we de Cöte des Forges. Doordat de helling de grote weg volgt, heeft hij weinig charme, maar een smeerlap is het wel. De Roche-aux-Faucons vormt het slotstuk en voelt misschien wel aan als de zwaarste. Met 1,3 km is het niet de langste klim, maar toch lijkt het door de steiltegraad alsof er geen einde aan komt.
In de finale vinden we samengevat voor ieder wat wils: van stevig klimwerk tot vals plat, doorspekt met lange afdalingen. Door die afwisseling valt de finale beter mee dan gevreesd, tenminste als je van de tussenstukken gebruik maakt om te recupereren. Zo verstandig zijn we natuurlijk niet en ook in volle koers is dat een ander paar mouwen. Zeker de vals platte stukken en de wind op kop maken het zwaar. Misschien kan Remco Evenepoel daar net als in de Amstel Gold Race gebruik van maken om terug te krabbelen naar Tadej Pogačar?

