4 dagen koers, 456 km, 7.000 hoogtemeters en een eindeloze rollercoaster van sensaties. De Oberösterreich Rundfahrt, een UCI 2.2-rittenkoers in het noorden van Oostenrijk, is zo’n wedstrijd waar je als buitenstaander misschien niet meteen van droomt, maar die achteraf stevig blijft nazinderen. Ook voor onze columnist Jo Pirotte.


1 plekje vrij
Deze koers, gespreid over 4 etappes, biedt een afwisseling van klimwerk, sprintkansen en alles daartussen. Een unieke opener: een proloog mét massastart. Daarna lang en heuvelachtig, richting een stevige slotrit met aankomst bergop. Er stonden 25 ploegen aan de start, waaronder enkele stevige continentale blokken, vele jonge profs-in-wording die met ambitie wilden koersen. Namen als Felix Gall en Gregor Mühlberger prijken op het palmares. Kortom: het niveau liegt er niet om. En daar stond ik. Na 15 jaar zonder échte koers, op een lokaal amateurkoersje na waar ik vorig jaar 3e werd na een hele dag in de aanval.
Mijn laatste herinneringen aan ‘het peloton’ dateren van de Ronde van Namen, Triptyque Ardennais, Luik,…. De laatste jaren beperkte ik me tot het circuit van Zolder. Rijden op snelheid, ja. Maar koersdrukte? Nee, dank u. Tot er na onze ploegstage in Mallorca interesse kwam vanuit Deschacht-Hens-FSP. “Zou Oostenrijk niets voor jou zijn?” Eerst hield ik de boot wat af, maar een 10-tal dagen op voorhand gaf ik toch toe. 1 plekje was nog vrij en ineens ging het snel. Ik dacht: als ik dit laat liggen, ga ik het mezelf beklagen.
Samen met Robbe Marchand, Brent Clé, Seppe Stroeykens, Milan Paulus en Corné van Kessel trokken we naar Oostenrijk. Alles tot in de puntjes verzorgd, van ploegleider tot soigneurs en mecaniciens. Even voelde het écht als prof zijn.



Rit 1: Proloog met een twist
Geen tijdrit, maar een massastart over 4,6 km. Elke ploeg mocht 1 renner in 1 van de 6 startboxen plaatsen. De toppers vooraan, de rest achteraan. Je raadt het al: ik stond in box 6. Na 300 meter neutralisatie was het koers – en hoe. Tegen dat ik goed en wel ingeklikt was, was het vooraan al oorlog. Aan de voet van de klim: 1 langgerekt lint, 4 km lang op de limiet. Maar ik schoof op, een tijdje in het zog van ploegmaat Brent en Robbe, hield een egaal tempo, en kon nog zo’n 100 renners remonteren. Uiteindelijk finishte ik als 54e met een achterstand van 46 seconden. Een kleine 10 minuten aan 400 Watt, de motor draaide alvast.
Rit 2: Sprint met inhoud
De langste dag: 178 km. Vroeg een kopgroep, dan lange controle. Tot ongeveer 50 km van de meet. Het was opnieuw nerveus en er werd vol gekoerst. Een sprint met een compact peloton van zo’n 95 man. Corné pakte een knappe 3e plek, Milan werd 10e. Zelf zat ik te ver vanachter in een langgerekt peloton om nog van betekenis te zijn. Ik finishte als 66e.
Rit 3: Mee met de grote jongens
140 km en 2.300 hoogtemeters. Het plan? Kalmpjes blijven en kijken voor het algemeen klassement. Maar ja, koers is emotie. Na 30 km zat ik in de goeie vlucht. Eerst met 5, dan met 7. Een mooie voorsprong: tot 6 minuten. Hier zat wel een kans van slagen in.
Aan de ploegwagen werd gezegd dat ik niet moest overnemen. Maar eerlijk: de benen wilden gewoon niet mee. Toen Toon Van den Bosch een versnelling plaatste op 25 km van de meet moest ik meteen passen. En een 15-tal kilometer werd ik en een andere geloste ingelopen. Ik bolde uiteindelijk als 53e over de meet, op 2’30 van de winnaar. Een onvergetelijke ervaring. Mee in de ontsnapping van de dag, tussen de toppers. Maar toch bleef het knagen: als de benen er waren geweest, wie weet….



Rit 4: Koninginnenrit
132 km, 2.500 hoogtemeters. Aankomst op een klim van 9,7 km aan 8%. De vraag van de dag: hebben de benen al die inspanning verteerd? Het tempo lag weer hoog, maar ik voelde me eigenlijk nog vrij fris. Op de voorlaatste klim zat ik wat ver, moest een gaatje dichten en kon gelukkig nog aansluiten bij de kopgroep. Op de slotklim koos ik voor mijn eigen tempo. De eerste 5 minuten reed ik misschien wat over mijn limiet en daar moest ik eventjes van bekomen maar daarna kon ik consolideren. Na 33 minuten klimmen kwam ik boven op plaats 31, op 5 minuten van de winnaar. Dat bracht me op plek 34 in het eindklassement.
Van gravelaar naar 34e in een UCI-koers, met amper koersritme in de benen? Ja, daar ben ik eigenlijk wel trots op. En vooral dankbaar. Aan de ploeg, aan de staf, aan iedereen die me deze kans gunde. Want eerlijk: ik had niet verwacht dat ik het zó fijn zou vinden. Misschien is er iets terug aangewakkerd. De goesting. De drang naar competitie. Op naar de volgende?
Tot snel!
Jo

