Bert Oosterbosch, geboren op 30 juli 1957 in Eindhoven, was de verpersoonlijking van brute hardrijderskracht. Lang voor fenomenen als Tony Martin of Fabian Cancellara uit de luiers waren. Zijn brute kracht, zijn doorzettingsvermogen en zijn kwaliteiten om een ploeg op sleeptouw te nemen, leverden hem de bijnaam ‘De Locomotief’ op. Tragisch genoeg zou deze locomotief uiteindelijk z’n eigen motor aan flarden rijden….


Bliksemcarrière
Oosterbosch liet al vroeg zijn talent zien. In 1978, net 20 lentes jong, won hij met het Nederlandse team al de wereldtitel in de Ploegentijdrit over 100 km. Deze prestatie opende de deuren naar een profcarrière bij de TI-Raleigh-ploeg onder leiding van de legendarische Peter Post, een ploeg en een ploegleider die enkele van de meest kleurrijke figuren uit het moderne wielrennen onder de vleugels hadden.
Onder Post ontwikkelde Oosterbosch zich tot een meestertijdrijder. In 1979 maakte hij een spraakmakend debuut op de baan door wereldkampioen Achtervolging te worden, nadat hij de ervaren Francesco Moser in de finale versloeg.
Zijn specialisatie in het tijdrijden leverde hem enkele van zijn meest memorabele overwinningen op. In de Tour de France van 1983 won hij zowel de proloog als een individuele tijdrit. Daarnaast behaalde hij 3 etappezeges in de Ronde van Spanje. Oosterbosch won in zijn korte actieve loopbaan ook semiklassiekers zoals de Grand Prix des Nations, die bekend stond als de zwaarste tijdrit ter wereld. En hij won ook een rittenkoers, met name de Tour of America in 1983.



Gezondheidsproblemen en dopinggebruik
Ondanks zijn sportieve successen werd Oosterbosch zijn carrière geteisterd door ernstige gezondheidsproblemen. Hij kreeg 2 keer een hersenvliesontsteking, een ziekte die zijn fysieke weerstand en carrière beïnvloedde. Knieklachten – een veelvoorkomend euvel bij krachtpatsers als Oosterbosch, zie ook Bernard Hinault – dwongen hem uiteindelijk in 1988 tot een vroegtijdig afscheid van het professionele wielrennen.
Speculaties over dopinggebruik volgden. Vooral anabolica maakten in die tijd opgeld, met de bekende knieproblemen en ontstekingen maar vooral veel hartklachten tot gevolg. Oosterbosch bleef na zijn pensioen actief in de wielerwereld en werkte aan een comeback. Maar in augustus 1989, op slechts 32-jarige leeftijd, overleed hij plotseling aan een hartstilstand. De precieze oorzaak van zijn overlijden is nooit volledig opgehelderd.
Hoewel Oosterbosch slechts 8 jaar deel uitmaakte van het peloton, liet hij bij velen een blijvende indruk na. Joop Zoetemelk noemde hem cruciaal voor zijn Tour de France-overwinning in 1980. Oosterbosch zijn vermogen om op kop te sleuren was volgens Zoetemelk fenomenaal en essentieel voor de strategie van de ploeg. Jan Raas, een andere ex-ploegmaat, vond Oosterbosch 1 van de grootste talenten die hij ooit ontmoette. Maar, zo vond Raas, zijn discipline was bijna omgekeerd evenredig aan zijn talent. “Als Bert mijn mentaliteit had gehad, was hij misschien de beste renner van zijn generatie geworden.”



Onderbenutting
Die indruk onderschreef ook sportauteur John Van Ierland, die Oosterbosch in een biografie “de beste hardrijder ooit” noemde. Alle collega’s en vrienden die Van Ierland aan het woord laat, zijn het eens over zijn ongeëvenaarde kracht en atletische vermogen, maar ook over de tragische onderbenutting van zijn talent.
Vast staat in elk geval dat Oosterbosch niets liever deed dan zich met het grootst mogelijke verzet het snot voor de ogen te rijden. In 1989 sloeg hij elk doktersadvies in de wind en bezweek – letterlijk – voor de lokroep van de grote molen.
Gevraagd naar z’n beroep, antwoordde Oosterbosch nooit ‘wielrenner’, maar altijd ‘hardrijder’. Voor tijdritspecialisten als Tony Martin en Bradley Wiggins was en is Bert Oosterbosch een icoon en een held. Wiggins betaalde zelfs grof geld voor een TI-Raleigh-koerstrui met de initialen van Bert Oosterbosch erop. Die trui schonk Wiggins vorig jaar uit eigen beweging aan het Bert Oosterbosch Museum, dat in diens thuisstad Eindhoven de herinnering aan ‘De Locomotief’ in ere houdt.


