We spraken jeugdploegleider Gert Deno over zijn transfer naar Crabbé-Dstny (lees hier), maar onze babbel ontspon zich verder dan dat. De Vlaams-Brabander maakt zich zorgen over de toekomst van het jeugdwielrennen. Hij ziet een generatie jonge coureurs die door hun ouders te veel in de watten wordt gelegd en stelt vast dat veel jeugdclubs een duidelijke langetermijnvisie missen.


Stagnatie
De ervaren Deno stelt zich vragen bij de sportieve visie van veel huidige jeugdploegen. “Ik weet waar we naartoe willen met Crabbé. Ik wil de jeugd onderdompelen in een wielersfeer en hen mengen met oudere gasten omdat ze van die mannen kunnen leren. Zo krijg je een winnaarsmentaliteit. Waarom zouden we dat niet gebruiken om de jeugd extra te stimuleren op ploegbasis? Bij andere clubs mis ik zicht op lange termijn. Waar gaan we eigenlijk naartoe met jeugdwielrennen? Ik hoor daar weinig constructiefs over. Ik zie in augustus vaak oproepen op Facebook waar ze op zoek zijn naar jeugdrenners. Maar wat ze daarmee gaan doen, dat komt nergens aan bod. Dat vind ik jammer.”
Ook over de instroom en de ontwikkeling bij de meisjes maakt Deno zich zorgen. “Het meisjeswielrennen kent momenteel een enorme stagnatie. Als je het aantal deelneemsters aan het recente Belgisch kampioenschap bekijkt, dat is eigenlijk om te huilen. Ik vind dat dramatisch, terwijl er in België en in het buitenland toch een aantal mooie voorbeelden zijn bij de profs. Dat brengt voorlopig helaas nog weinig resultaat op en dat ligt misschien ook een beetje aan de mentaliteit en voor een stuk aan de ouders.”
De dagelijkse inzet van renners en rensters en de invloed van hun thuissituatie spelen volgens Deno een grote rol in het uiteindelijke succes. “Ik zie het vooral de factor motivatie veranderen en in hoeverre ze willen gaan om hun droom te bereiken. Dat valt in de wedstrijden onmiddellijk op, maar ik zie ook dat er bij de jeugd sommigen rondrijden voor wie alles gedaan wordt. Die weten nog niet eens hoe ze een bandje moeten vervangen.”


Overbeschermde generatie
De vergelijking met het verleden toont aan dat de zelfredzaamheid van jonge coureurs drastisch is gedaald. “Als wij vroeger de weg op gingen en we hadden geen reservebandje bij, dan moesten we niet naar huis bellen om ons te komen halen, hoor. Dan was het letterlijk ’trek uw plan en zie dat je thuis geraakt’. Nu hebben ze zelfs geen bandjes meer mee op training. Als ze lek rijden, wordt er getelefoneerd en mama of papa komt ze wel halen. Er worden vaak veel te veel eieren onder gelegd.”
Ouders hebben vaak de neiging om mindere prestaties of een gebrek aan inzet snel te relativeren. “Je doet wielrenners geen cadeau met alles altijd goed te praten, al moet je ze natuurlijk ook niet uitkafferen als het resultaat in de wedstrijden niet top is. Maar alles is altijd goed en dat ze hun best hebben gedaan. Terwijl ze die week soms maar 2 keer op de fiets hebben gezeten. Zo gaat het natuurlijk nooit lukken. Laat die jongens met de fiets naar de wedstrijd gaan, laat die naar huis rijden of stop 30 km voor je thuis bent. Hoe kunnen ze anders hun motor opbouwen?”
Die overbescherming is volgens Deno een weerspiegeling van een bredere maatschappelijke trend. “De maatschappij is heel beschermend geworden, waardoor jongens moeite hebben om boven zichzelf uit te stijgen omdat het simpelweg niet nodig is. Zo maken we van die jongens geen weerbare mannen meer. Er zijn er die met een elektrische fiets naar school gaan 5 km verderop. Puur om 2 minuten sneller thuis te zijn. Het moet niet altijd gemakkelijk zijn, voor sommige dingen kan je hen beter leren om wel moeite te doen.”


Verantwoordelijkheid en inspraak
Binnen zijn eigen ploeg probeert Deno die passieve houding te doorbreken door de renners zelf verantwoordelijkheid te geven. “Dat is iets wat ik van binnenuit wil veranderen door hen vertrouwen te geven, maar ik zal ook zeggen wanneer we iets niet goed hebben gedaan. Ik geef in briefings veel inspraak en laat hen het parcours vooraf al bekijken op Google Maps. Denk erover na voor we naar de wedstrijd gaan, praat met elkaar, weet elkaar te zitten in een wedstrijd en beslis of je voor jezelf gaat of voor een collega werkt die zich beter voelt.”
Zelfs eenvoudige taken op de koers worden tegenwoordig vaak door volwassenen overgenomen, vindt Deno. “Ik begrijp dat je als ouder iets wilt doen voor je kind en betrokken wilt zijn. Maar je moet hen soms ook eens hun plan laten trekken, zoals op de koers hun rugnummer opspelden. Je zou eens moeten zien hoeveel mama’s en papa’s daarbij staan om dat rugnummer op te spelden. Ik heb dat nooit begrepen. Ze schrijven zich in maar kunnen hun rugnummer nog niet zelf opspelden. Het zegt iets over de maatschappij waarin we onze kinderen niet genoeg vrijheid laten.”
Het onderhouden van het eigen materiaal is ook nog een laatste pijnpunt waar Deno zich aan ergert. “Ik heb letterlijk jongens die nog maar met moeite weten dat hun wiel rond is en die nog met geen vod aan hun fiets hebben geraakt. Hun zak uitkappen bij de wasmachine, dat is niet moeilijk. Maar een fiets poetsen, daar komt al meer bij kijken. Je ziet van jongs af aan het verschil tussen gasten die zelf initiatief mogen nemen en waar ze te veel gepamperd worden.”
