Precies 5 jaar geleden maakte Nick Vanpol een doodsmak tijdens de wereldbekermanche voor junioren in het Duitse Albstadt. De jonge mountainbiker uit Paal ontsnapte op een haar na aan de dood en stond afgelopen weekend in datzelfde Albstadt aan de start bij de beloften. Mechanische pech in de laatste ronde kon zijn goeie performance echter niet onderdrukken.

De val gebeurde in de zogenaamde Devils Corner. “Ik was erg gefocust om mijn doelstelling te bereiken, top 12 rijden, dat ik in de afdaling te veel risico’s nam. Ik ben een paar meter naar beneden gevallen en op een boomstronk terecht gekomen. Ik tastte meteen naar mijn benen, en die voelde ik gelukkig nog. Als je op je rug valt, is verlamming immers toch een vaak voorkomend gevolg. Ik ben dan naar het ziekenhuis overgebracht. De bergwachters moesten me daarvoor van het parcours dragen, niet evident.”
Ontsnapt
De 1e diagnose was hard. “Dokters zeiden me dat ik nooit meer zou kunnen fietsen, maar een paar uur later kwamen ze vertellen dat het toch minder erg was dan aanvankelijk gedacht. Een opluchting. Er waren wel meerdere wervels gekneusd, maar niet gebroken. Het heeft maar een paar millimeter gescheeld of ik was daadwerkelijk verlamd geweest. De 1e 3 maanden heb ik platte rust moeten nemen. Wachten, wachten en blijven wachten: niet plezant. Maar ik had toch het geluk gehad dat ik niet onder mes moest.”

Dé comeback
Het begon bij zijn comeback in Albstadt afgelopen weekend voortvarend voor Nick Vanpol. “Ik moest op plaats 66 vertrekken en kwam na 1 ronde toch al als 37e door”, zegt hij. “In ronde 2 en 3 heb ik nog wat plaatsen kunnen goedmaken, maar na ronde 3 voelde ik wel de benen en werd ik lichtjes teruggeslagen. De laatste ronde ging ik nog net bij de top 40 in, maar dan sloeg het noodlot toe. De 1e beklimming kon ik nog wel over, maar in de afdaling ging mijn ketting eraf. Ik kon ze erop leggen, maar even verderop lag ze er weer af en was mijn wedstrijd voorbij. Toen ben ik nog een serieus stuk te voet in de helse regen naar de aankomst moeten stappen.”

Fotomateriaal: Jochen De Vocht.