De snelheid van Tour de France van 2025 was ‘een dingetje’ de voorbije weken. Nochtans lag die snelheid, hoewel hoog, toch bijna 2 km/u lager dan in 2024, de snelste editie uit de geschiedenis. Toch wil kinesist Frank Wezenbeek, die al meer dan 2 decennia toprenners (en andere atleten) begeleidt, vooral een ander punt benadrukken. “Dit was ondanks alle kreten niet de snelste Tour, maar waarschijnlijk wél 1 van de zwaarste. En dat zit ‘m ook in de toenemende mentale druk.”


De snelste Tours ooit
Wie de statistieken erbij neemt, ziet dat de laatste jaren uitzonderlijk snel waren. De edities van 2019, 2020, 2021, 2023 en 2024 behoren tot de absolute top. Vooral 2024 sprong eruit met een record gemiddelde van 43,39 km/u. Daarmee werd een nieuwe norm gezet. “In vergelijking met die voorbeelden oogt de Tour van 2025 iets bescheidener, maar het is niet zozeer de snelheid die de Tour in het Pogačar-tijdperk zwaarder maakt dan ooit”, nuanceert Frank Wezenbeek. “Snelheid is maar 1 factor. Dit jaar werd er nauwelijks een moment gas teruggenomen. Er was geen dag dat er niet met het mes tussen de tanden werd gekoerst. Dát is vooral zwaar. Renners reden onder constante druk, dag in dag uit. Daardoor voelde de Tour voor velen zwaarder aan dan ooit tevoren. Zelfs Pogačar voelde dat, zoals je kon horen in zijn verzuchtingen tijdens de slotweek.”
Een andere factor is de verschuiving in het wedstrijdverloop. Waar vroeger 10 ploegen streden om dagsucces en klassement, zijn het er vandaag misschien nog 4 die bijna de hele koek verdelen. “De belangen zijn enorm en dat zet zich meteen om in koershardheid”, duidt Wezenbeek. “Iedere etappe werd gecontroleerd, elke ontsnapping gewikt en gewogen. Voor kleinere ploegen en renners blijven vaak enkel die vroege televisiemomenten over om zich te tonen. Dat jaagt de snelheid tijdens de eerste koersuren de hoogte in. Maar hoge snelheden zijn ook gevaarlijker. Minder bij de vluchters, maar wel in het peloton dat dikwijls de vlucht niet zomaar laat rijden. Omdat een handvol ploegen de Tour domineert en de rest geen kans maakt op de eindzege, worden de dagzeges ook steeds belangrijker en steeds meer bevochten.



Mentale belasting
De fysio is voor toprenners vaak een vertrouwenspersoon. Hij ziet de atleten niet wanneer ze op hun top zijn, maar net op hun kwetsbaarst. Na een blessure of tijdens een revalidatie. Volgens Wezenbeek zit de grootste verandering niet in het fysieke, maar in het mentale aspect. “Wielrennen was heel lang een klassiek en conservatief milieu met een afkeer voor verandering. De laatste 10 à 15 jaar is er een geweldige inhaalbeweging gemaakt op het vlak van begeleiding, recuperatie, voeding en materiaal. Ook daardoor zijn de snelheden toegenomen. Maar daarmee gepaard gaande ook de druk.”
Renners hebben niet alleen tijdens de koers minder ademruimte, ook daarbuiten verdwijnt elk rustpunt. “Massages waren vroeger een moment van ontspanning. Vandaag worden ook die massages opnieuw geëvalueerd, omdat men denkt dat andere herstelmethodes efficiënter zijn. Zelfs eten is geen vrije keuze meer: maaltijden worden afgewogen, zweetanalyses bepalen hoeveel koolhydraten of zouten iemand moet aanvullen. 3 weken lang rijst eten lijkt misschien niet als een lijdensweg, maar het is wel een opdracht. Die continue aaneenschakelingen van strikt getimede opdrachten, 24 uur lang, weken aan een stuk,weegt na verloop van tijd enorm door.”
Die voortdurende controle maakt dat renners steeds meer mentaal atleet moeten zijn. “Je ziet jonge toptalenten die na een paar jaar afhaken”, zegt Wezenbeek. “Niet omdat ze fysiek tekortkomen, maar omdat ze de druk niet meer aankunnen. Ze maken zich zorgen over hun gezondheid, over hun vrijheid en over hun veiligheid. Ze worden vaak geleefd.”
Dat neemt niet weg dat de begeleiding professioneler is dan ooit. Innovatie speelt een grote rol. Fietsen zijn lichter en aerodynamischer, vermogensmeters verfijnen elke trainingsprikkel. Maar ook voeding is een doorslaggevende factor geworden. “10 jaar geleden had je energiegels met 20 gram koolhydraten. Vandaag zit daar soms het 4-voudige in. Dat maakt een enorm verschil, maar het belast ook de maag. Renners moeten dus niet alleen trainen om harder te rijden, maar ook om meer en sneller te kunnen eten. Zelfs voeding is een mentale aandachtsstrijd geworden”, aldus Wezenbeek.



Grens moeilijk te voorspellen
Wie kan in deze omstandigheden nog excelleren? Volgens Wezenbeek is het een samenspel van factoren. “De besten zijn de renners die fysiek en genetisch begenadigd zijn, die de harde training mentaal kunnen opbrengen, en die tegelijkertijd ook de fysieke én mentale druk kunnen omarmen. Renners die de voortdurende controle en de grote verwachtingen verwelkomen en tegelijkertijd kunnen relativeren. Dat valt op bij – alweer – Pogačar. Ook Roglič is daar sterk in, maar die is dan weer niet de bovenaardse atleet die Pogačar is. Want de winnaars van vandaag zijn vaak ook genetische supertalenten. Alleen die mix maakt vandaag een Tourwinnaar.”
Tot slot wijst Wezenbeek op de rol van de toeschouwers. Omdat tv-uitzendingen steeds vroeger beginnen, wordt zichtbaar hoe hoog het tempo vanaf de eerste kilometer ligt. “Vroeger werden de eerste uren zelden uitgezonden. Dat creëerde het beeld dat de koers pas na de middag écht begon. Vandaag ziet iedereen dat er van bij de start keihard gereden wordt. Het publiek ervaart de Tour als sneller, en dat straalt weer af op de druk die renners voelen.”
Of de Tour de France nog sneller zal worden, durft Wezenbeek niet te voorspellen. “De grens is moeilijk te voorspellen. Misschien worden de gemiddelden niet meer veel hoger. Maar wat vaststaat: de mentale belasting wordt nóg groter. Renners van de toekomst – rondewinnaars net zo goed als helpers – zullen niet alleen fysiek, maar vooral ook mentaal superatleten moeten zijn. En ook de mentale begeleiding zal dus bij veel ploegen nog een stuk beter moeten.”
