De voorbije twaalf maanden maakten ze samen hun debuut in het profpeloton. De ene met veel lef en bravoure; op zijn favoriete terrein – het Vlaamse klassieke werk – meteen showen wat hij in zijn mars heeft. De andere iets meer in de schaduw, geteisterd door zeven valpartijen. Samen vormen Tiesj Benoot (21) en Louis Vervaeke (22) van Lotto Soudal echter de toekomst van het Vlaamse wielrennen. Een gesprek met twee stille jongens die liever met de pedalen spreken.

Benoot_Vervaeke_tafel

Hoe kijken jullie terug op jullie debuutseizoen 2015?

Vervaeke: “Ik kom slechts aan 42 wedstrijddagen, terwijl een gemiddelde prof er ongeveer dubbel zoveel rijdt. Langs de ene kant is het niet slecht om geleidelijk aan te groeien en niet zo’n zwaar programma te rijden, maar uiteraard had ik liever veel meer gekoerst. Ik ben zeven keer gevallen en moest telkens opnieuw opbouwen. Dat maakte het wel lastig, zeker omdat ik ook twee keer moest herstellen van een zware hersenschudding. Dat is allemaal net iets te veel. Vooraf had ik gepland om eens mee te spelen in een eindklassement, maar dat zal voor volgend jaar zijn. Ik had er dus stiekem wel iets meer van verwacht.”

Benoot: “Ik ben zeer tevreden. Die goede prestaties had wellicht niemand verwacht, ik ook niet. Voorlopig legt ook niemand druk op mij, de ploeg evenmin. Het komt dus wel goed met mij.” (lacht)

Hoe was die eerste kennismaking met het profpeloton?

Benoot: “Net als Louis was ik vorig jaar stagiaire, waardoor ik er geleidelijk aan kon inrollen. De voorbereiding verliep meteen vlot. Die professionele aanpak ligt me wel. Het niveau is natuurlijk heel wat hoger, dat verbaasde me niet. Dat er in de WorldTour-wedstrijden nóg harder wordt gereden, daar was ik wel van geschrokken. Het verschil is echt groot. Veel problemen heb ik niet gehad, maar het is wel anders koersen.”

tiesjbenootddb2Vervaeke: “Als je van bij de beloften komt, is het toch wat aanpassen. Vooral in het voorjaar tot de Tour de France rijdt het peloton heel snel. Dat verschil heb ik echt hard gevoeld. In vlakke etappes valt dat nog wel mee, maar eens het bergop gaat, is het niveau van een andere orde. Dan rijden ze beresnel. Als je dan niet goed bent, lig je er zo af.”

Welk gevoel gaf het om voor het eerst tussen de profs te rijden, Louis?

Vervaeke: “Het is een droom die werkelijkheid wordt, maar eens je erin zit, maak je gewoon deel uit van het peloton en stel je je daar nog weinig vragen bij. Dan ben je gewoon een van hen. Maar er waren wel extra leuke momenten, zoals Tom Boonen die tijdens de Giro een babbeltje kwam slaan. Dan besef je dat je prof bent.”

Welk moment van 2015 steekt er bovenuit?

Benoot: “De Ronde van Vlaanderen. Enerzijds om het resultaat, want ik werd al meteen vijfde. Anderzijds ook door het wedstrijdverloop en de omstandigheden: luidruchtig publiek, veel media-aandacht,…. Dat laatste heeft de grootste indruk nagelaten. Ik voelde me toch wel effe in een andere wereld.”

Vervaeke: “Veel topmomenten heb ik niet gehad, maar de bergprijs in de GP Montréal zal ik niet snel vergeten. Ik reed weg met Quinziato, Grivko en Voeckler en voelde me echt sterk. Dat ik Quinziato en Grivko er dan nog kon afrijden om alleen met Voeckler over te blijven, gaf me een heel goed gevoel. Bovendien won Tim (Wellens, red) die wedstrijd. Hij is mijn beste vriend en ik lag ook toen met hem op de kamer. Dat maakte het extra speciaal.”

Benoot_Vervaeke

Hoe zien jullie jezelf evolueren?

Vervaeke: “Bij de beloften was ik puur ronderenner. Ik kon klimmen en had een goeie tijdrit, waardoor ik hoog kon eindigen in een klassement. Die kwaliteiten wil ik nu bij de profs verder ontwikkelen. In grote rondes zal je me minder snel vooraan zien, maar kleinere etappewedstrijden moet ik wel aankunnen. Dat ligt me ook beter dan het Vlaamse eendagswerk, al kan ik in de Ardennenklassiekers zeker een rol spelen. Die wedstrijden vallen te combineren met kleine rondes, kijk maar naar hoe Nibali en Valverde dat doen.”

Benoot: “Ik ga komend seizoen opnieuw het Vlaamse voorjaar rijden. In die periode wil ik dus zeker goed zijn. Daarna zullen we kijken of ik er de wedstrijden in Canada en San Sebastian kan bijnemen. Een grote ronde is komend jaar nog niet gepland. Ik wil zelf wel graag, maar mijn trainer vindt het maar niets. Sowieso is het een droom om ooit de Tour te rijden, dus dat zal er wel eens van komen. Misschien is het in de toekomst de moeite om de Waalse klassiekers te rijden, maar dan moet ik mijn voorbereiding omgooien én het Vlaamse werk laten schieten. Bovendien wil ik niet te veel in het water van Louis varen.”

Zijn jullie je er van bewust dat jullie voor de opvolging moeten zorgen van pakweg Boonen en Gilbert?

Benoot: “Ik voel me niet verantwoordelijk voor het wielrennen in België, maar ik ben er me wel van bewust dat ik aanzien wordt al een aanstormend talent. Vergelijkingen met Boonen of Van den Broeck gaan niet op. Als je nastreeft wat Boonen allemaal heeft gewonnen, dan kan je alleen maar gefrustreerd geraken.”

Vervaeke: “Er zijn meer beloftevolle renners dan Tiesj en ik. Ik denk aan Tim Wellens, Dylans Teuns, Edward Theuns, Laurens De Plus…. Er komt een goede jonge generatie Belgen aan. Ik voel me zelf niet aangesproken om bijvoorbeeld Jurgen Van den Broeck op te volgen en voel ook helemaal geen druk. Vorig jaar was die druk zelfs groter, want toen was ik internationale top bij de beloften. In die optiek is het niet slecht dat ik een minder goed seizoen heb gereden.”

Voelen jullie dat het beter is om nu prof te worden dan in de dopingsfeer die pakweg tien jaar geleden heerste?

Vervaeke: “Ik denk dat het nu wel leuker is. Wij als jonge gasten kunnen het niveau redelijk goed aan. Ik hoorde van Andre Greipel dat het in zijn jonge tijd anders was. Hij werd als debutant helemaal kapotgereden. Gelukkig is het peloton nu zuiverder, al heb ik wel nog steeds een vorm van sympathie voor Lance Armstrong. Hij is ook buiten het vlak van doping een van de meest professionele wielrenners aller tijden.”

Benoot: “Je hoort in het peloton wel dat het op vlak van doping veel verbeterd is, dat is een feit. Ik ben dan ook echt blij dat ik nu prof kan worden en niet tien of twintig jaar geleden. Ik kan me dat eigenlijk moeilijk inbeelden, want ik ben nog nooit in aanraking gekomen met verboden middelen. Ik herinner me nog dat ik die beelden van Pantani zag die de Ventoux omhoog knalde, maar het blijft moeilijk om me voor te stellen dat ik in zo’n milieu prof zou worden.”

Tiesj, jij hebt zestig wedstrijddagen. Goed dat je nu even kan rusten?

Benoot: “Ik heb een mooi programma gereden, maar heb wel eens drie en eens vijf weken rust gehad. Bovendien heb ik geen grote ronde gereden. Fysiek zit ik er zeker niet door, maar op mentaal vlak is het wel goed dat er nu een tijdje geen wedstrijden zijn. Het is altijd leuk om eens iets te gaan drinken of een andere activiteit te doen. Het moet niet altijd fietsen zijn.”

Louis, jij hebt dit seizoen niets gewonnen. Jouw stagemakkers Tim Wellens, Jasper Stuyven en Sean De Bie wel. Prikkelt dat?

Vervaeke: “Hoegenaamd niet. Het zorgt alleen maar voor meer motivatie. Ik ben de jongste van de groep en op mijn leeftijd hadden zij ook nog geen platte prijs gereden. Ik heb dus nog even tijd.” (lachje)

Moeten jullie eigenlijk al grote resultaten neerzetten, of ligt de klemtoon op ontwikkeling?

Benoot: “Als renner wil je altijd prijzen pakken. Het is wel belangrijk dat ik beter word, maar ik wil ook resultaten neerzetten. Dat is altijd de eerste betrachting.”

Vervaeke: “Klopt. Wij trainen niet elke dag hard om gewoon wat in het peloton te fietsen. Trainen doe je om resultaten te leveren.”

Jullie zijn beiden aan de stille kant, geen expressieve types. Liever spreken met de benen. Vanwaar die nuchterheid?

Vervaeke: “We groei(d)en beiden op in een rustige familie, denk ik. We kunnen ook goed relativeren en laten onze kop niet zotmaken.”

Benoot: “Daar zorgt onze manager (Paul De Geyter, red) ook wel mee voor.”

Tiesj, wat zegt het woord ‘Flandrien’ jou?

Benoot: “Een renner die zich niet te veel aantrekt wat er rondom hem gebeurt. Iemand die goed kan koersen in slechte weersomstandigheden. Zelf hou ik daar ook wel van. Echte Flandriens, dat zijn de coureurs van voor de jaren 1950. Mannen ook die zelf hun tubes oppompten tijdens de koers. Mensen mogen gerust zeggen dat ik een Flandrien ben, maar in mijn ogen bestaan echte Flandriens niet meer.  De renners van nu zijn daarvoor veel te veel gepamperd.”

Foto’s: WielerVerhaal – Davy De Blieck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*