Toen Henri Vanlerberghe meteen na de oorlog de Ronde van Vlaanderen won, wilden journalisten weten hoe hij aan het front zijn conditie had onderhouden. Zijn antwoord was duidelijk: “Ik was bij de cyclisten, en als ne mens moet vluchten voor de obussen, dan kan dat niet rap genoeg gaan!” Het is 1 van de vele anekdotes uit ‘Koersen in de Groote Oorlog’, het boek dat verscheen naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het Centrum Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde. Daarin rakelt auteur Patrick Cornillie de meest onwaarschijnlijke verhalen op. Enkele bijzondere wetenswaardigheden op een rijtje.


1. Op 4 augustus 1914 vallen Duitse troepen ons land binnen. Wat volgt is ware terreur. Ook veel onschuldige burgers worden gewelddadig aangepakt. Jacques Julémont, 22 jaar jong en actief bij de onafhankelijken, wordt zomaar op straat doodgeschoten. Hij is de 1e Belgische wielrenner die het leven laat. In het nabije Moelingen wordt Marcel Kerff samen met 5 van zijn dorpsgenoten opgeknoopt. Kerff eindigde in de allereerste Tour van 1903 als 1e Belg op de 6e plaats.
2. Zowat 1 miljoen Belgen slaan voor het oorlogsgeweld op de vlucht, vooral naar het neutrale Nederland. 40.000 militairen, die afgesloten zijn geraakt van de rest van het Belgische Leger, worden er – op basis van internationale conventies – geïnterneerd in kampen. Velen verblijven er 4 jaar lang en proberen daar hun liefhebberijen van weleer op te pikken. Daar hoort uiteraard ook de koers bij. In het kamp van Harderwijk leggen Belgische geniesoldaten zelfs een 400m lange wielerpiste aan. De wedstrijden trekken 1.000’en toeschouwers. De soldaten koersen er tegen elkaar en tegen jonge plaatselijke renners zoals Piet van Kempen en Piet Moeskops. Op die manier geeft België tijdens de
Groote Oorlog het Nederlandse wielrennen een onwaarschijnlijke boost.

4. Heel wat wielrenners worden oorlogspiloot. Dat is minder verwonderlijk dan het vandaag misschien lijkt: begin 20e eeuw zijn de fiets en het vliegtuig relatief nieuwe, opwindende uitvindingen en het vergt behendigheid en lef om zo’n toestel – aanvankelijk niet meer dan een zwevende zeepkist – te besturen. Hun fascinatie voor
snelheid bekopen sommigen met hun leven. Zoals de schoonbroers Leon Comès en Leon Hourlier, in januari 1914 nog de winnaars van de 6-daagse van Parijs. Octave Lapize, winnaar van de Tour in 1910, wordt evenzeer door Duitsers uit de lucht ‘geplukt’. Ook 2 andere Tourwinnaars, François Faber en Lucien Petit-Breton, sneuvelen aan het front. Net als Girowinnaar Carlo Oriani, olympisch kampioen Léon Flameng en George Parent, 3-voudig wereldkampioen stayeren.

6. Vanaf 1917 kan in Vlaanderen amper nog worden gekoerst. De Duitsers eisen al het rubber op, al vlug zitten de renners door hun voorraad aan fietsbanden. Op de koop toe verhoogt de bezetter de belastingen op pistemeetings. Organisatoren komen niet meer uit de kosten. Vooral de houten velodrooms krijgen het moeilijk. Ze vragen meer onderhoud en raken in verval. Het hout wordt verkocht… of gestolen. Tijdens de laatste oorlogswinter gaan onder meer de pistes van Zurenborg en ’t Karreveld als rook door 1.000’en Antwerpse en Brusselse schouwen. Van de 42 wielerbanen die in 1914 bij de wielerbond waren aangesloten, blijven er maar 9 meer over.




